ECLI:NL:HR:2026:35

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
24/02900
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid van de rechtbank bij klaagschrift inzake verbeurdverklaring van woning in strafzaak

In deze zaak gaat het om een klaagschrift dat is ingediend door een vennootschap, hierna aangeduid als de klaagster, die stelt eigenaar te zijn van een woning die in beslag is genomen. De woning is verbeurd verklaard in een strafzaak tegen een ander. De Hoge Raad behandelt de vraag of de rechtbank bevoegd is om het klaagschrift te behandelen, nu er een cassatieberoep is ingesteld tegen het arrest van het hof waarbij de woning verbeurd is verklaard. De Hoge Raad oordeelt dat als het gerecht dat bevoegd is tot afdoening van het klaagschrift constateert dat de betreffende voorwerpen inmiddels verbeurd zijn verklaard, het klaagschrift moet worden opgevat als een klaagschrift op basis van artikel 552b van het Wetboek van Strafvordering. In dit geval is de verbeurdverklaring van de woning pas in de cassatiefase onherroepelijk geworden. De Hoge Raad vernietigt de beschikking van het gerechtshof en verwijst de zaak voor verdere behandeling naar het bevoegde gerecht. De beslissing is genomen op 6 januari 2026, waarbij de vice-president en twee raadsheren aanwezig waren.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/02900 B
Datum6 januari 2026
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 16 juli 2024, nummer 000117-24, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klaagster],
gevestigd in [vestigingsplaats] (Bulgarije),
hierna: de klaagster.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft de advocaat P. van de Kerkhof bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot bepaling dat de stukken ter verdere behandeling en afdoening zullen worden gezonden naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch.

2.Ambtshalve beoordeling van de beschikking van het gerechtshof

2.1
Bij een op 9 februari 2024 ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ingediend klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is door de klaagster om teruggave verzocht van een onder M. Reuvers inbeslaggenomen woning. Daartoe is door de klaagster gesteld dat die woning haar toebehoort. Het hof heeft het klaagschrift bij beschikking van 16 juli 2024 ongegrond verklaard.
2.2
Als het gerecht dat bevoegd is tot afdoening van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv constateert dat sinds de indiening daarvan de betreffende voorwerpen bij inmiddels uitvoerbare beslissing ten laste van een ander zijn verbeurdverklaard of onttrokken aan het verkeer, moet dit klaagschrift worden opgevat als een klaagschrift als bedoeld in artikel 552b Sv. Als dat gerecht - gelet op artikel 552b lid 2 Sv - niet bevoegd is tot behandeling van het zo opgevatte klaagschrift, moet het bepalen dat de griffier de stukken zendt naar het tot die behandeling wel bevoegde gerecht. (Vgl. HR 23 november 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC9284.)
2.3
Zoals is uiteengezet in onderdeel 4 van de conclusie van de advocaat-generaal, is in dit geval de verbeurdverklaring van de genoemde woning pas in de cassatiefase van de beklagzaak onherroepelijk geworden. Ook in die situatie moet het klaagschrift worden opgevat als een klaagschrift als bedoeld in artikel 552b Sv. De Hoge Raad zal met vernietiging van de beschikking van het gerechtshof de zaak voor verdere afdoening en behandeling verwijzen naar het op grond van artikel 552b lid 2 Sv bevoegde gerecht.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de bestreden beschikking;
- bepaalt dat de stukken ter verdere behandeling en afdoening zullen worden teruggezonden naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
6 januari 2026.