ECLI:NL:HR:2026:258
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding
Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 6 augustus 2025. De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van dit beroep. Uit de processtukken bleek dat het beroepschrift op 10 oktober 2025 bij de Hoge Raad was ontvangen, terwijl de termijn van zes weken, zoals gesteld in artikel 6:7 Awb Pro, op 17 september 2025 was verstreken.
De griffier van de Hoge Raad gaf belanghebbende bij aangetekende brief van 27 november 2025 de mogelijkheid om aan te tonen dat het beroepschrift tijdig was verzonden of om een reden voor de overschrijding te geven. Belanghebbende maakte geen gebruik van deze gelegenheid. Daarom werd het beroep in cassatie op grond van artikel 6:6 Awb Pro niet-ontvankelijk verklaard.
De Hoge Raad zag geen aanleiding om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten. Het arrest werd gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en op 20 februari 2026 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.