Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:256

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
24/01587
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94a SvArt. 552a SvArt. 36e SrArt. 511i SvArt. 6:1:16 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid klaagschrift conservatoir beslag hardware wallet met bitcoins

De zaak betreft een klaagschrift tegen conservatoir beslag op een hardware wallet met zes bitcoins, gelegd onder de broer van de klager in het kader van een strafrechtelijk onderzoek. Zowel de strafzaken tegen klager en zijn broer zijn geseponeerd, waarna het beslag werd gelegd in verband met een ontnemingszaak tegen de broer. Het hof verklaarde het klaagschrift niet-ontvankelijk omdat het niet tijdig was ingediend volgens artikel 552a lid 4 Sv, terwijl de Hoge Raad oordeelt dat artikel 552a lid 3 Sv van toepassing is omdat er sprake is van vervolging.

De Hoge Raad bespreekt wanneer de behandeling van een ontnemingsvordering als beëindigd moet worden beschouwd voor de toepassing van artikel 552a lid 3 Sv. Hierbij is van belang dat de onherroepelijke uitspraak op de ontnemingsvordering pas ten uitvoer kan worden gelegd nadat de veroordeling in de strafzaak onherroepelijk is geworden. Dit betekent dat de ontnemingszaak pas als beëindigd geldt als ook de strafveroordeling onherroepelijk is.

De Hoge Raad vernietigt de beschikking van het hof en verklaart het klaagschrift niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de termijn. Omdat het beslag onder de broer is gelegd en de civiele rechter bevoegd is voor geschillen over eigendom van de wallet, kan de klager zich tot de civiele rechter wenden. De Hoge Raad doet de zaak zelf af en wijst terugwijzing af.

Uitkomst: Hoge Raad verklaart klaagschrift niet-ontvankelijk wegens overschrijding termijn en vernietigt hofbeslissing.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/01587 B
Datum3 maart 2026
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 11 april 2024, nummer RK 000681-23, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
hierna: de klager.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing van de zaak naar het hof Den Bosch om op het bestaande beklag opnieuw te worden beoordeeld en afgedaan.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat het beklag niet-ontvankelijk is omdat het klaagschrift niet tijdig is ingediend.
2.2
De beschikking van het hof houdt onder meer in:
“Parketnummers: 20-000445-15 en 20-001930-18
(...)
Het beklag richt zich tot opheffing van het onder [beslagene] (hierna: beslagene) d.d. 7 december 2020 gelegde conservatoir beslag op een hardware wallet met daarin 6 bitcoins en teruggave daarvan aan klager.
(...)
In het kader van de zaak ‘Rockport’ is op grond van artikel 94 Wetboek Pro van Strafvordering een hardware wallet met daarin 6 bitcoins in beslag genomen onder de beslagene. In voornoemd onderzoek waren zowel klager als beslagene verdachten. De zaak tegen beslagene is op 29 maart 2021 geseponeerd. De zaak tegen klager is tevens op 29 maart 2021 geseponeerd, hetgeen schriftelijk is bevestigd bij brief van 15 november 2021. Op 7 december 2020 is conservatoir beslag gelegd op voornoemde hardware wallet met inhoud, ter zake van een door het Openbaar Ministerie gestelde ontnemingsvordering op de beslagene.
De strafzaak en de ontnemingszaak tegen beslagene waren bij het hof bekend onder bovengenoemde parketnummers. In de strafzaak tegen beslagene is op 22 november 2021 arrest gewezen. Beslagene is veroordeeld ter zake van - zakelijk weergegeven - het medeplegen van opzettelijk inbreuk maken op auteursrecht, meermalen gepleegd, en medeplegen van opzettelijk ter verveelvoudiging of verspreiding voorhanden hebben, invoeren en bewaren van voorwerpen waarin met inbreuk op auteursrecht een werk is vervat, terwijl hij het plegen van deze misdrijven als bedrijf uitoefent. Aan beslagene is een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden opgelegd, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met aftrek. Beslagene heeft tegen dit arrest cassatieberoep bij de Hoge Raad der Nederlanden ingesteld. In de procedure in cassatie is tot op heden nog geen beslissing genomen. Bij arrest van 7 oktober 2019 is beslagene door het hof niet-ontvankelijk verklaard ten aanzien van het niet tijdig ingestelde hoger beroep in de ontnemingszaak.
Bij beslissing van 25 juli 2023 van de rechtbank Oost-Brabant, heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om van het onderhavige klaagschrift kennis te nemen, gelet op het bepaalde in artikel 552a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.
In het klaagschrift wordt gesteld dat de hardware wallet en de bitcoins niet toebehoren aan de beslagene maar aan klager. Klager onderbouwt dit aan de hand van een belastingaangifte inkomstenbelasting, waaruit blijkt dat klager voornoemde vermogensbestanddelen in zijn belastingaangifte heeft opgenomen. Klager voert aan dat hij de wallet op de avond voorafgaand aan de beslaglegging heeft overhandigd aan beslagene om de bitcoins te gelde te maken zodat klager met de liquiditeiten nieuwe investeringen kon gaan doen. De reden voor de overdracht is dat beslagene meer kennis en kunde heeft van technologische ontwikkelingen dan klager en derhalve zorg droeg voor de verkoop.
Klager voert aan dat het noodzakelijk is om het conservatoir beslag op te heffen, zodat klager in zijn levensonderhoud kan voldoen en andere financiële verplichtingen kan nakomen. Tevens voert klager aan dat de koers van de bitcoins tanende is en dat het de verwachting van klager is dat dit zal doorzetten.
De advocaat-generaal heeft ter zitting in raadkamer naar voren gebracht dat het klaagschrift niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien het klaagschrift niet binnen de daarvoor geldende wettelijke termijn is ingediend.
De raadsman heeft ter zitting in raadkamer aangevoerd dat hij zich op het standpunt stelt dat het klaagschrift tijdig is ingediend, zowel op grond van de termijn zoals bedoeld in artikel 552a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering als de termijn zoals bedoeld in artikel 552a lid 4 van het Wetboek van Strafvordering.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof oordeelt dat het klaagschrift niet tijdig is ingediend. Op grond van artikel 552a, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering dient het klaagschrift niet-ontvankelijk te worden verklaard, indien het klaagschrift is ingediend op een tijdstip waarop twee jaren zijn verstreken na de inbeslagneming, kennisneming of ontoegankelijkmaking en een vervolging niet of nog niet is ingesteld. Blijkens de voorhanden zijnde stukken is het conservatoir beslag gelegd op 7 december 2020. Tegen klager is voorts, met name gelet op de hem betreffende sepotbeslissing als voormeld, geen vervolging ingesteld. Nu het klaagschrift is ingediend op 29 december 2022, is het klaagschrift niet binnen de daarvoor geldende wettelijke termijn ingediend.
Ten overvloede overweegt het hof dat, ook als sprake zou zijn van de situatie zoals bedoeld in artikel 552a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, het klaagschrift eveneens niet-ontvankelijk zou zijn verklaard. Op grond van artikel 552a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering dient het klaagschrift alsdan niet-ontvankelijk te worden verklaard, indien het klaagschrift is ingediend op een tijdstip waarop drie maanden zijn verstreken sedert de vervolgde zaak tot een einde is gekomen. De zaak tegen klager is op 29 maart 2021 geseponeerd. Als zou worden uitgegaan van de datum van 29 maart 2021 (en overigens ook als zou worden uitgegaan van de schriftelijke bevestiging van de sepotbeslissing op 15 november 2021) is het klaagschrift niet binnen de in artikel 552a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn van drie maanden ingediend, immers eerst op 29 december 2022. Hetgeen ter zitting in raadkamer naar voren is gebracht, leidt niet tot een ander oordeel.
Gelet op het bovenstaande zal het hof - overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal - het klaagschrift niet-ontvankelijk verklaren.
BESLISSING:
Het hof:
Verklaart het klaagschrift niet-ontvankelijk.”
2.3
De volgende bepalingen zijn van belang.
- Artikel 511i van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv):
“Een uitspraak op de vordering van het openbaar ministerie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht vervalt van rechtswege, doordat de uitspraak als gevolg waarvan de veroordeling van de verdachte, als bedoeld in artikel 36e, eerste onderscheidenlijk derde lid, van het Wetboek van Strafrecht, achterwege blijft, in kracht van gewijsde gaat.”
- Artikel 552a lid 3 en 4 Sv:
“3. Het klaagschrift of het verzoek wordt zo spoedig mogelijk na de inbeslagneming van de voorwerpen (...) ingediend ter griffie van het gerecht in feitelijke aanleg, waarvoor de zaak wordt vervolgd of het laatst werd vervolgd. Het klaagschrift of het verzoek is niet ontvankelijk indien het is ingediend op een tijdstip waarop drie maanden zijn verstreken sedert de vervolgde zaak tot een einde is gekomen.
4. Indien een vervolging niet of nog niet is ingesteld wordt het klaagschrift of het verzoek zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen twee jaren na de inbeslagneming, (...) ingediend ter griffie van de rechtbank van het arrondissement, binnen hetwelk de inbeslagneming (...) is geschied (...).”
- Artikel 6:1:16 lid 2 Sv Pro:
“Een uitspraak op de vordering van het openbaar ministerie tot oplegging van de verplichting een geldbedrag aan de staat te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, kan ten uitvoer worden gelegd nadat de veroordeling, als bedoeld in artikel 36e, eerste onderscheidenlijk derde lid, van het Wetboek van Strafrecht, onherroepelijk is geworden.”
- Artikel 6:4:4 Sv Pro:
“1. Op voorwerpen, inbeslaggenomen op grond van artikel 94a, geschiedt verhaal op de wijze voorzien in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering krachtens het onherroepelijke vonnis of arrest of de onherroepelijke strafbeschikking waarbij de geldboete, de verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en de verplichting tot betaling aan de staat van een som gelds ten behoeve van het slachtoffer als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd.
2. Dit vonnis of arrest of deze strafbeschikking geldt als de titel bedoeld in artikel 704, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Betekening van deze titel aan de veroordeelde en, zo het beslag onder een derde is gelegd, ook aan deze, kan plaatsvinden door betekening van een kennisgeving inhoudende de bij het vonnis of arrest dan wel de strafbeschikking opgelegde straf, voor zover voor het nemen van verhaal van belang.
3. Ten aanzien van derden die geheel of gedeeltelijk recht menen te hebben op de inbeslaggenomen voorwerpen zijn de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing.”
2.4.1
Uit artikel 552a lid 3 Sv volgt dat een op grond van artikel 552a Sv zo spoedig mogelijk na de inbeslagneming ingediend klaagschrift ontvankelijk is zolang er nog geen drie maanden zijn verstreken sinds de vervolgde zaak tot een einde is gekomen. Als een voorwerp op grond van artikel 94a Sv conservatoir in beslag is genomen, is voor de beantwoording van de vraag of de vervolgde zaak tot een einde is gekomen, beslissend of de vervolging van degene ten laste van wie het beslag is gelegd in de strafzaak of – als het gaat om conservatoir beslag tot bewaring van het recht van verhaal van een op te leggen ontnemingsmaatregel – de behandeling van de tegen hem ingestelde ontnemingsvordering tot een einde is gekomen. (Vgl. HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:135, rechtsoverweging 2.8 en 2.9.)
2.4.2
Het gaat in deze zaak om een beklag dat strekt tot opheffing van het onder de broer van de klager gelegde conservatoir beslag op een hardware wallet met daarin zes bitcoins en tot teruggave daarvan aan de klager.
2.4.3
Het hof heeft het klaagschrift niet-ontvankelijk verklaard, omdat het niet is ingediend binnen de in artikel 552a lid 4 Sv genoemde termijn die geldt in het geval een vervolging (nog) niet is ingesteld. Dat oordeel is onjuist, nu uit de vaststellingen van het hof volgt dat sprake is van vervolging, zodat de ontvankelijkheid van het klaagschrift had moeten worden beoordeeld aan de hand van artikel 552a lid 3 Sv.
2.4.4
De door het hof gegeven overweging ten overvloede, dat ook als sprake zou zijn van de situatie zoals bedoeld in artikel 552a lid 3 Sv het klaagschrift niet-ontvankelijk zou zijn verklaard omdat de zaak tegen de klager op 29 maart 2021 is geseponeerd, is niet begrijpelijk, omdat het hof in die overweging de strafzaak Rockport tegen de klager tot uitgangspunt neemt, terwijl het beklag zich richt tegen het in een andere zaak gelegde conservatoir beslag.
2.5
De Hoge Raad ziet aanleiding om de in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.9 opgeworpen vraag te bespreken wanneer de behandeling van de ontnemingsvordering tot een einde is gekomen in de zin van artikel 552a lid 3 Sv als ten tijde van het indienen van het klaagschrift de beslissing in de ontnemingsprocedure onherroepelijk is geworden, maar de veroordeling als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) niet onherroepelijk is.
Op grond van artikel 6:4:9 Sv Pro in samenhang met artikel 6:4:4 lid 2 Sv Pro geldt de onherroepelijke uitspraak op een vordering van het openbaar ministerie tot oplegging van de verplichting een geldbedrag aan de Staat te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, als titel als bedoeld in artikel 704 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Op grond van artikel 6:1:16 lid 2 Sv Pro kan deze uitspraak pas worden tenuitvoergelegd nadat en voor zover de veroordeling als bedoeld in artikel 36e Sr onherroepelijk is geworden, terwijl op grond van artikel 511i Sv een uitspraak op een ontnemingsvordering van rechtswege vervalt doordat en voor zover de uitspraak als gevolg waarvan de veroordeling van de verdachte als bedoeld in artikel 36e Sr achterwege blijft, in kracht van gewijsde gaat. In het geval dat op de ontnemingsvordering al onherroepelijk is beslist terwijl de veroordeling als bedoeld in artikel 36e Sr dan nog niet onherroepelijk is, zal de ontnemingszaak pas tot een einde komen in de zin van artikel 552a lid 3 Sv op het moment dat (ook) de veroordeling als bedoeld in artikel 36e Sr onherroepelijk wordt.
2.6
Gelet op wat in 2.4 is overwogen, is het cassatiemiddel terecht voorgesteld en kan de beschikking van het hof niet in stand blijven. Dit leidt echter om de volgende reden niet tot terugwijzing van de zaak. De Hoge Raad heeft op 24 september 2024 het cassatieberoep in de strafzaak tegen de broer van de klager verworpen (ECLI:NL:HR:2024:1292). Dat betekent dat de al eerder onherroepelijk geworden uitspraak in de ontnemingszaak van de broer van de klager ten uitvoer gelegd kan worden. Volgens artikel 6:4:4 lid 1 Sv Pro vindt het verhaal op voorwerpen die inbeslaggenomen zijn op grond van artikel 94a Sv, plaats op de wijze die is voorzien in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De bepalingen van dat wetboek zijn op grond van artikel 6:4:4 lid 3 Sv Pro van toepassing ten aanzien van derden die geheel of gedeeltelijk recht menen te hebben op deze inbeslaggenomen voorwerpen. Dat betekent dat de klager, die stelt dat de onder zijn broer inbeslaggenomen wallet met daarin zes bitcoins aan hem toebehoort, zich op grond van de van toepassing zijnde bepalingen uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tot de civiele rechter kan wenden. Omdat het hof na terugwijzing van de zaak slechts de niet-ontvankelijkheid van het klaagschrift kan uitspreken (vgl. HR 17 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:601 en HR 6 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:8), zal de Hoge Raad de zaak zelf afdoen door het klaagschrift niet-ontvankelijk te verklaren.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van het hof;
- verklaart het klaagschrift niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
3 maart 2026.