Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
Grondslag
3.Beslissing
10 februari 2026.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel werd toegewezen aan betrokkene wegens medeplegen van bedrijfsmatige hennepteelt in de periode van 2 tot en met 23 december 2015 en andere strafbare feiten in de periode van 1 maart 2013 tot en met 1 december 2015.
Het hof had geoordeeld dat er voldoende aanwijzingen waren dat betrokkene ook vóór de bewezenverklaarde periode strafbare feiten had begaan en baseerde de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op een kweekperiode van 1 maart 2013 tot 23 december 2015. Het hof motiveerde dit onder meer met technische en administratieve feiten, getuigenverklaringen en financiële gegevens.
De Hoge Raad stelt dat de vereiste 'voldoende aanwijzingen' in artikel 36e lid 2 Sr niet mogen worden aangenomen zonder dat buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat andere strafbare feiten zijn begaan. Tevens moet betrokkene de mogelijkheid hebben gehad om hiertegen verweer te voeren. De motivering van het hof is ontoereikend omdat niet zonder meer kan worden afgeleid dat betrokkene de feiten al voor 2014 heeft begaan.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof Amsterdam voor hernieuwde berechting en beslissing. De uitspraak is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 10 februari 2026.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof wegens onvoldoende motivering en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting.