3.3Het hof heeft over de bewezenverklaring van deze feiten overwogen:
“
Feit 1
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte op 19 oktober 2018 een woning aan [a-straat 1] te [plaats] heeft gekocht voor € 200.000,-. De woning is niet bezwaard met een hypotheek of andere beslagen. Ten aanzien van de financiering van de woning is gebleken dat op 15 oktober 2018 € 204.956,71 is overgemaakt naar de notaris [betrokkene 1] . Dit geld is afkomstig van de bankrekening van verdachte. Op 11 september 2018 is € 195.000,- op de bankrekening van verdachte gestort door [betrokkene 2] onder vermelding ‘Darlehn laut vertrag’.
[betrokkene 2] heeft verklaard dat verdachte bij hem is gekomen met een contant geldbedrag van € 200.000,00 en aan hem heeft gevraagd dit bedrag naar de bankrekening van verdachte over de maken. Volgens [betrokkene 2] wou verdachte een vastgoedobject aflossen. [betrokkene 2] zou € 5.000,00 krijgen. [betrokkene 2] heeft verder verklaard dat de overboeking geen lening betreft en dat hij financieel ook niet in staat was om een dergelijk bedrag aan een derde te lenen.
Het hof ziet in hetgeen de verdediging heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoud en juistheid van de opgenomen bewijsmiddelen. Het hof kan zich met de navolgende overweging van de rechtbank verenigen en zal daarom deze overweging hierna voor zover relevant (cursief) overnemen en tot de zijne maken. Daar waar ‘rechtbank’ staat, moet nu ‘hof’ worden gelezen.
Uit de uiterlijke verschijningsvorm van het geheel leidt de rechtbank af dat [betrokkene 2] door verdachte is ingezet als geldezel (money mule of katvanger) om € 195.000,00 naar de rekening van verdachte over te maken. Voor deze handeling kreeg [betrokkene 2] een "provisie" van € 5.000,00. [betrokkene 2] heeft € 200.000,00 aan contanten van verdachte ontvangen. [betrokkene 2] heeft vervolgens € 195.000,00 op zijn rekening gestort en dit bedrag overgeboekt naar de rekening van verdachte. Deze heeft het bedrag vervolgens gebruikt voor de aankoop van een woning aan de [a-straat 1] te [plaats] . De rechtbank is van oordeel dat de voornoemde feiten en omstandigheden het vermoeden rechtvaardigen dat de aan [betrokkene 2] geleverde € 200.000,00 van enig misdrijf afkomstig is. De rechtbank wijst daarbij op het feit van algemene bekendheid dat het voorhanden hebben van grote contante geldbedragen door privé personen, in het geval dat geld op legale wijze is verkregen, hoogst ongebruikelijk is vanwege het risico van onder meer diefstal, waarbij het geld niet is verzekerd.
De rechtbank is in het licht van het vorenstaande van oordeel dat van verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat de geldbedragen niet van misdrijf afkomstig zijn. Verdachte heeft deze verklaring niet gegeven. Het aldus door de verdachte geboden tegenwicht tegen de verdenking van witwassen geeft onvoldoende aanleiding tot een nader onderzoek door het openbaar ministerie. Er is daarom geen andere conclusie mogelijk dan dat het ten laste gelegde voorwerp onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is en dat verdachte daar wetenschap heeft gehad.
Naar de uiterlijke verschijningsvorm hebben verdachtes handelingen voorts tot doel gehad en waren zij geschikt om de criminele herkomst van de € 195.000,00 te verhullen en te verhullen wie de rechthebbende daarop is.
Bij het begaan van het witwassen is tussen verdachte en [betrokkene 2] sprake geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking gericht op het voltooien daarvan. De intellectuele en materiële bijdrage van verdachte dan het feit is daarbij, gelet op de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol van verdachte in de voorbereiding, de (deels gezamenlijke) uitvoering en afhandeling van het delict en het belang van die rol, van zodanig gewicht geweest dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen.”
Aanvullend overweegt het hof als volgt. De verdediging heeft gesteld dat uit de bankafschriften van [betrokkene 2] blijkt dat er grote bedragen heen en weer worden gestort die niet zijn te relateren aan een leven op bijstandsniveau. Hoewel uit het dossier blijkt dat er grote bedragen worden bij- en afgeschreven op de rekening van [betrokkene 2] stelt het hof vast dat het begin- en eindsaldo van de rekening in 2018, 2019 en 2020 steeds tussen € - 8,74 en € 5,97 ligt. Daarin ziet het hof aanleiding ervan uit te gaan dat [betrokkene 2] meerdere malen als katvanger is gebruikt. [betrokkene 2] heeft uitleg gegeven en ook toegegeven dat hij met het voorstel van verdachte snel geld kon verdienen. Het hof ziet daarin in ieder geval geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van zijn verklaring met betrekking tot de gang van zaken van de door verdachte aan [betrokkene 2] gegeven € 200.000 te twijfelen. De verklaring van [betrokkene 2] vindt ondersteuning in ander bewijs. Verdachtes verklaring daarentegen niet, deze wordt weersproken door het bewijs. Van de door verdachte gefingeerde lening is nooit sprake geweest. Het hof stelt vast dat verdachte door middel van een schijnconstructie een legale geldstroom heeft gecreëerd. Over de herkomst van het omvangrijke contante geldbedrag heeft verdachte ook in hoger beroep geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat geen andere conclusie mogelijk dan dat het ten laste gelegde voorwerp onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is en dat verdachte daar wetenschap heeft gehad.
Naar de uiterlijke verschijningsvorm hebben verdachtes handelingen voorts tot doel gehad en waren zij geschikt om de criminele herkomst van de € 195.000,00 te verhullen en te verhullen wie de rechthebbende daarop is.
Feit 2
Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof het volgende vast. Op 17 juni 2019 wordt een BMW 740LD aangekocht bij [B] te [plaats] . Het voertuig wordt contant betaald. Ten behoeve van de betaling is op 5 juni 2019 € 5.000,00 en op 17 juni 2019 € 70.000,00 en € 700,00 contant bij de kassa gestort. Het voertuig is gekocht door [C] en het voertuig is opgehaald door [C] . Hij is tevens de persoon die de contante geldbedragen heeft gestort.
[betrokkene 2] heeft verklaart dat [verdachte] geïnteresseerd was in een personenauto van het merk BMW 7-serie. [betrokkene 2] vond dit voertuig bij [B] in [plaats] . [verdachte] heeft [betrokkene 2] geld gegeven voor de aankoop van de auto. Het betrof € 75.000,00 aan contanten. [betrokkene 2] ontving € 2.500,00 provisie. De auto is gekocht met het contante geld van [verdachte] . De aankoop van de auto verliep via het agrarische bedrijf van [verdachte] : [C] . [betrokkene 2] heeft verder verklaard (op 18 augustus 2020) dat [verdachte] de BMW met [kenteken] sinds vorige zomer (het hof begrijpt: 2019) heeft.
Het hof ziet in hetgeen de verdediging heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoud en juistheid van de opgenomen bewijsmiddelen. Ook het handschriftonderzoek dat op verzoek van de verdediging is verricht geeft daartoe, bezien in het licht van het geheel van de bewijsmiddelen, naar het oordeel van het hof geen aanleiding. Het hof kan zich met de navolgende overweging van de rechtbank verenigen en zal daarom deze overweging hierna voor zover relevant (cursief) overnemen en tot de zijne maken. Daar waar ‘rechtbank’ staat, moet nu ‘hof’ worden gelezen.
“Het verweer vindt zijn weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen en de aan die bewijsmiddelen te ontlenen feiten en omstandigheden. De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoud en juistheid van die bewijsmiddelen. Uit de uiterlijke verschijningsvorm van het geheel leidt de rechtbank af dat [betrokkene 2] ook hier door verdachte is ingezet als geldezel. [betrokkene 2] heeft € 75.000,00 contant van verdachte gekregen om voor verdachte een BMW aan te schaffen. [betrokkene 2] krijgt voor deze transactie een provisie van € 2.500,00. [betrokkene 2] laat de BMW aanschaffen en zet de auto op naam van zijn niet-actieve bedrijf. Feitelijk is verdachte echter de eigenaar van de auto en maakt hij daarvan gebruik. De rechtbank is van oordeel dat de voornoemde feiten en omstandigheden het vermoeden rechtvaardigen dat de aan [betrokkene 2] geleverde € 200.000,00(het hof begrijpt: € 75.000,-)
van enig misdrijf afkomstig is. De rechtbank wijst daarbij op het feit van algemene bekendheid dat het voorhanden hebben van grote contante geldbedragen door privé personen, in het geval dat geld op legale wijze is verkregen, hoogst ongebruikelijk is vanwege het risico van onder meer diefstal, waarbij het geld niet is verzekerd.
De rechtbank is in het licht van het vorenstaande van oordeel dat van verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het geldbedrag en de BMW niet van misdrijf afkomstig zijn. Verdachte heeft deze verklaring niet gegeven. Het aldus door de verdachte geboden tegenwicht tegen de verdenking van witwassen geeft onvoldoende aanleiding tot een nader onderzoek door het openbaar ministerie. Er is daarom geen andere conclusie mogelijk dan dat de ten laste gelegde voorwerpen onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte daar wetenschap van heeft gehad. Naar de uiterlijke verschijningsvorm hebben verdachtes handelingen voorts tot doel gehad en waren zij geschikt om de criminele herkomst van de BMW te verhullen en te verhullen wie de rechthebbende daarop is. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat tenaamstelling op naam van een ander dan de werkelijke eigenaar er toe strekt om het eigendom te verhullen.
Bij het begaan van het witwassen is tussen verdachte en [betrokkene 2] sprake geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking gericht op het voltooien daarvan. De intellectuele en materiële bijdrage van verdachte aan het feit is daarbij, gelet op de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol van verdachte in de voorbereiding, de (deels gezamenlijke) uitvoering en afhandeling van het delict en het belang van die rol, van zodanig gewicht geweest dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met een ander ( [betrokkene 2] ) opzettelijk schuldig heeft gemaakt aan witwassen.