Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
10 februari 2026.
Hoge Raad
In deze zaak stond een 18-jarige verdachte terecht voor medeplegen van ontucht met een 15-jarig meisje in 2019 te 's-Hertogenbosch. De zaak betrof tevens een vordering van de benadeelde partij met betrekking tot de aanvangsdatum van de wettelijke rente over materiële schade.
De verdachte stelde in cassatie dat het hof ten onrechte de ingangsdatum van de wettelijke rente had vastgesteld op 22 april 2019, terwijl de schade pas in december 2019 was ontstaan. De financiële omvang van de klacht betrof een gering bedrag van ongeveer €14.
De Hoge Raad oordeelde dat de verdachte onvoldoende belang had bij de gegrondverklaring van deze klacht, mede gelet op eerdere jurisprudentie. Omdat ook de overige klachten niet slaagden, maakte de Hoge Raad gebruik van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie om het beroep zonder nadere motivering niet-ontvankelijk te verklaren.
Het arrest werd uitgesproken door de Strafkamer van de Hoge Raad op 10 februari 2026, waarbij de vice-president Borgers als voorzitter en raadsheren Posthumus en Kuiper het arrest wezen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang bij de klacht.