ECLI:NL:HR:2026:1291

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
24/03006
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40 lid 2 Wet WOZArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt oordeel hof over WOZ-beschikking en weigert cassatie

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over een beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) en een aanslag onroerendezaakbelastingen 2022.

Het hof liet in het midden of de heffingsambtenaar in strijd met artikel 40, lid 2, Wet WOZ had gehandeld, maar oordeelde dat belanghebbende daardoor niet was benadeeld omdat dezelfde procedure ook zonder schending zou zijn gevolgd.

De Hoge Raad verwijst naar een eerder arrest (ECLI:NL:HR:2025:1823) en oordeelt dat de gevraagde gegevens in de bezwaarfase zijn verstrekt, waardoor de klacht niet tot cassatie kan leiden.

Andere klachten van belanghebbende worden eveneens verworpen zonder nadere motivering, omdat deze niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en verklaart het cassatieberoep ongegrond.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het oordeel van het hof bevestigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer24/03006
Datum17 juli 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
het BESTUUR VAN DE BELASTINGSAMENWERKING GEMEENTEN EN HOOGHEEMRAADSCHAP UTRECHT
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 25 juni 2024, nr. BK-ARN 23/2619 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland (nr. UTR 22/5823) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2022.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door G. Gieben, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het bestuur van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht, vertegenwoordigd door [P1] en [P2], heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

2.1
Het Hof heeft in het midden gelaten of de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht in strijd heeft gehandeld met artikel 40, lid 2, van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ). Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat dit artikel is geschonden, heeft het Hof geoordeeld dat belanghebbende daardoor niet is benadeeld. Het Hof heeft dit oordeel gebaseerd op de grond dat belanghebbende zonder schending van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ ook beroep en hoger beroep zou hebben ingesteld.
2.2
De daartegen gerichte klacht is terecht voorgesteld. De Hoge Raad verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 2.3 van zijn arrest van 19 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1823. De klacht kan echter niet tot cassatie leiden omdat de stukken van het geding geen andere conclusie toelaten dan dat de in bezwaar gevraagde en onder de reikwijdte van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ vallende gegevens, aan belanghebbende zijn verstrekt in de bezwaarfase.
2.3
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026.