ECLI:NL:HR:2026:1162

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
24/02813
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake navorderingsaanslagen inkomstenbelasting

Belanghebbende heeft in cassatie beroep ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin het hof het hoger beroep van belanghebbende tegen navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 2015 tot en met 2018 heeft behandeld.

De Hoge Raad heeft de ingediende klachten van belanghebbende beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van dit oordeel te geven omdat de klachten geen vragen van belang voor de eenheid of ontwikkeling van het recht bevatten, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.

Verder heeft de Hoge Raad geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen. Het beroep in cassatie is derhalve ongegrond verklaard, waarmee het arrest van het hof in stand blijft.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het arrest van het hof blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer24/02813
Datum3 juli 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 4 juni 2024, nrs. BK-23/420 en BK-23/422 tot en met BK-23/424 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 21/8043, 21/8046, 21/8047 en 21/8049) betreffende de aan belanghebbende over de jaren 2015, 2016 en 2017 opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelastingbelasting/premie volksverzekeringen, de aan belanghebbende voor het jaar 2018 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake belastingrente.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de klachten

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026.