Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
De vraag of aan de bovenstaande eisen is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad kan hierover geen algemene regels geven, maar slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid verschaffen door het formuleren van aandachtspunten en door het beslissen van concrete gevallen, waarbij de toetsing in cassatie overigens sterk wordt gekleurd door de precieze bewijsvoering van de feitenrechter, waaronder begrepen een eventuele op het medeplegen toegesneden nadere motivering.
In de eerste helft van 2019 heeft de verdachte frequent gesprekken gehad met zijn mededader [medeverdachte] , waarbij zij maatregelen troffen om te voorkomen dat zij door opsporingsambtenaren werden afgeluisterd. Uit de opnamen van die gesprekken (aangeduid als OVC-gesprekken) blijkt dat daarin door de verdachte en [medeverdachte] de voortgang van acties tegen de windmolenparken werd besproken, strategie werd bepaald en werd geselecteerd aan welke bedrijven dan wel personen (dreig)brieven moesten worden gestuurd. De verdachte en [medeverdachte] spraken onder meer over het zwartboek. In hun gesprekken komen onderdelen van de in de bewezenverklaring genoemde brieven nagenoeg letterlijk terug. Verder spraken de verdachte en [medeverdachte] in hun plannen over een aantal aangevers die één of meer van de in de bewezenverklaring genoemde brieven hebben ontvangen. Ook spraken zij over verzending vanuit Duitsland, terwijl een groot deel van de aangevers de in de bewezenverklaring genoemde brieven via de Duitse Post heeft ontvangen. De inhoud van de dreigbrieven aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , waarin een ultimatum werd gesteld, en de inhoud van de brief aan [G] , waarin geen ultimatum werd gesteld, komt overeen met de inhoud van het OVC-gesprek van 9 mei 2019 tussen de verdachte en [medeverdachte] over het niet stellen van een ultimatum bij [G] . Uit een OVC-gesprek van 6 juni 2019 blijkt dat de verdachte en [medeverdachte] gezamenlijk plannen maakten voor de aanschaf van een wapen om een wiek van een windmolen kapot te schieten, waarbij de verdachte zei te zullen nagaan of daarvoor financiële middelen konden worden ingezet van [E] , waarvan de verdachte toen de voorzitter was.
Ook heeft het hof in de weerlegging van dit verweer gewezen op de actieve inhoudelijke bijdrage van de verdachte aan de gesprekken waarin zij gezamenlijk plannen smeedden en de verdachte [medeverdachte] bijpraatte over de voortgang van de activiteiten van de verdachte en informatie deelde waarover de verdachte beschikte uit hoofde van zijn rol bij ‘ [L] ’ en ‘ [E] ’ en als voorzitter en vertrouwenspersoon van de ondernemersvereniging. Het hof heeft vastgesteld dat sprake was van een rolverdeling tussen beiden: de verdachte redigeerde de inhoud van brieven, hij selecteerde mede bedrijven die een brief moesten ontvangen in verband met hun betrokkenheid bij de windparken en hij liet adressen van die bedrijven verzamelen ten behoeve van de verzending van die brieven. Daarbij heeft het hof onder het redigeren van de inhoud van de brieven verstaan dat de verdachte enige betrokkenheid had bij het bepalen van die inhoud, doordat – zo blijkt uit de bewijsmiddelen – de verdachte met [medeverdachte] overlegde over de inhoud van de brieven en het effect dat deze, bijvoorbeeld in verband met specifieke onderdelen als het wel of niet stellen van een ultimatum, sorteerden. Het hof heeft daarnaast vastgesteld dat de verdachte zo nu en dan noteerde wat door [medeverdachte] werd gezegd en dat in het kantoor van de verdachte notities zijn gevonden die wat betreft woordgebruik en strekking overeenkomen met teksten uit de brieven die in de bewezenverklaring zijn genoemd, waarbij het gaat om specifieke termen als ‘belazerde en als uitschot behandelde burgers’, ‘vogelvrij’ en ‘wij verklaren de oorlog’.
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
27 januari 2026.