ECLI:NL:HR:2026:1138

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
24/03198
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:73 AwbArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing vergoeding immateriële schade wegens niet-overschrijding redelijke termijn hoger beroep

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch over een aanslag inkomstenbelasting en belastingrente over 2015. De rechtbank had eerder een vergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsfase. In hoger beroep verzocht belanghebbende om een vergoeding voor immateriële schade vanwege de lange duur van de procedure.

Het Hof heeft dit verzoek niet behandeld in zijn uitspraak. De Hoge Raad oordeelt dat het Hof dit naliet, maar dat dit niet tot vernietiging kan leiden omdat de redelijke termijn van twee jaar voor de hogerberoepsfase niet is overschreden. De behandeling van het hoger beroep begon op 10 augustus 2022 en eindigde op 3 juli 2024.

Ook het verzoek om vergoeding van immateriële schade in de cassatieprocedure wordt afgewezen, omdat de redelijke termijn van twee jaar sinds het instellen van het cassatieberoep op 14 augustus 2024 tot het arrest op 3 juli 2026 niet is overschreden. De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en verklaart het cassatieberoep ongegrond.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard omdat de redelijke termijn niet is overschreden en geen vergoeding voor immateriële schade wordt toegekend.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer24/03198
Datum3 juli 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
1. de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSITITE EN VEILIGHEID)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 3 juli 2024, nr. 22/1435 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 20/776) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2015 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door T.J. Wintermans, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.

2.Uitgangspunten in cassatie

2.1
De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard en de Inspecteur respectievelijk de minister van Rechtsbescherming bij uitspraak van 29 juni 2022 veroordeeld tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de fase van bezwaar respectievelijk beroep. [2]
2.2
Belanghebbende heeft op 10 augustus 2022 hoger beroep ingesteld. De laatste zin van de pleitnota die belanghebbende heeft overgelegd ter zitting van het Hof van 16 mei 2024 luidt: “Tot slot zou ik van de gelegenheid gebruik willen maken uw Hof te verzoeken een vergoeding toe te kennen aan eiser wegens geleden immateriële schade in verband met de lange duur van deze procedure”.
2.3
Het Hof heeft op 3 juli 2024 uitspraak gedaan. De uitspraak bevat geen beslissing op het hiervoor in 2.2 bedoelde verzoek.

3.Beoordeling van de middelen

3.1
Het derde middel betoogt dat het Hof heeft nagelaten te beslissen op het hiervoor in 2.2 bedoelde verzoek om vergoeding van immateriële schade, dat – naar de Hoge Raad begrijpt – ziet op een mogelijke overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de hogerberoepsfase.
3.2
Het middel is terecht voorgesteld. Belanghebbende heeft het verzoek om vergoeding van immateriële schade tijdig gedaan. Uit de uitspraak van het Hof blijkt niet dat het Hof dit verzoek heeft beoordeeld. [3]
3.3
Tot cassatie kan dit echter niet leiden. De berechting van de zaak in hoger beroep is aangevangen op 10 augustus 2022, toen het hoger beroep werd ingesteld, en is geëindigd op 3 juli 2024, toen het Hof uitspraak deed. [4] De redelijke termijn van twee jaar voor het behandelen van het hoger beroep is dus niet overschreden. Aan belanghebbende komt voor die fase van de procedure daarom niet een vergoeding van immateriële schade toe.
3.4
De Hoge Raad heeft ook de klachten van middel 1 en middel 2 over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.Verzoek om vergoeding van immateriële schade in de cassatieprocedure

4.1
Belanghebbende heeft de Hoge Raad verzocht te bepalen dat “bij het slagen van een of meer middelen van dit beroep, de wederpartij wordt veroordeeld in de kosten van dit beroep, inclusief een vergoeding van de geleden immateriële schade”. De Hoge Raad vat dit verzoek op als een verzoek om bij overschrijding van de redelijke termijn die geldt voor de behandeling van het cassatieberoep, de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade.
4.2
Dit verzoek wordt afgewezen. Belanghebbende heeft op 14 augustus 2024 beroep in cassatie ingesteld. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment waarop de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, is minder dan twee jaar, zodat in de cassatieprocedure de redelijke termijn niet is overschreden.

5.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer E.F. Faase als voorzitter, en de raadsheren P.A.G.M. Cools en F.G.F. Peters, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026.

Voetnoten

2.Vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.11.1.
3.Vgl. HR 17 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:440, rechtsoverweging 2.2.1.
4.Vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.4.3.