ECLI:NL:HR:2026:1116

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
25/02045
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Herziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 482a SvArt. 482b SvArt. 482g SvArt. 68 SrArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vraagt advies EHRM over herziening ten nadele van onherroepelijke vrijspraak

Deze zaak betreft een aanvraag tot herziening ten nadele van een onherroepelijke vrijspraak in een moordzaak uit 2006. De vrijspraak werd onherroepelijk in 2012. De aanvraag is gebaseerd op nieuwe DNA-onderzoekstechnieken die destijds niet beschikbaar waren.

De Hoge Raad onderzoekt of de Wet herziening ten nadele, die in 2013 in werking trad, toegepast kan worden op uitspraken die vóór die datum onherroepelijk zijn geworden. Daarbij wordt ook de vraag betrokken of deze toepassing verenigbaar is met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, met name de artikelen 6 (recht op een eerlijk proces) en 7 (verbod van terugwerkende kracht).

De Hoge Raad concludeert dat het EHRM hierover nog geen eenduidig oordeel heeft gegeven en verzoekt daarom een advisory opinion. Totdat het EHRM advies heeft uitgebracht, wordt verdere beslissing aangehouden. De zaak bevat uitgebreide overwegingen over de totstandkomingsgeschiedenis van de wet, het rechtszekerheidsbeginsel, en de belangenafweging tussen de verdachte en de samenleving.

Uitkomst: De Hoge Raad houdt de zaak aan en verzoekt het EHRM om advies over de toepassing van herziening ten nadele op onherroepelijke vrijspraken.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer25/02045 H
Datum30 juni 2026
ARREST
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 27 oktober 2010, nummer 22-003905-08, ingediend door het College van procureurs-generaal in de zaak van:
[Y],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de betrokkene.

1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

1.1
De in de herzieningsaanvraag geschetste achtergrond van de zaak is in de conclusie van de procureur-generaal onder 2.1 als volgt samengevat:
“De zaak betreft de dood van [X]. Op 12 juli 2006 werd zij, op achtentwintigjarige leeftijd, levenloos aangetroffen op de zolder van de woning van haar ouders in [plaats] . Zij was slechts gekleed in een geopende badjas. Naast haar lichaam werd een afgerolde slip aangetroffen. In haar borst stak een mes. Om haar nek zat een tiewrap gesnoerd. Zij had een plastic boodschappentas om haar hoofd. Het gerechtshof heeft uit verklaringen van de ouders van het slachtoffer afgeleid dat de boodschappentas afkomstig was uit de meterkast van de woning van de ouders, dat het mes uit één van de keukenladen kwam en dat de tiewrap niet uit de woning afkomstig was. Er werden geen sporen van braak of inklimming aangetroffen.”
1.2
Aan de gewezen verdachte is in eerste aanleg tenlastegelegd dat:
“Hij in of omstreeks de periode van 11 juli 2006 tot en met 12 juli 2006 te [plaats] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [X] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, wurghandelingen verricht en steekwonden toegebracht, tengevolge waarvan voornoemde [X] is overleden.”
1.3
In eerste aanleg heeft de rechtbank de gewezen verdachte vrijgesproken en daartoe overwogen dat, kort gezegd, er geen bewijsmiddelen waren die de gewezen verdachte als dader aanwezen en er daarom onvoldoende wettig en overtuigend bewijs was dat de gewezen verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan.
1.4
In hoger beroep is – na wijziging van de tenlastelegging – aan de gewezen verdachte tenlastegelegd dat:
“Primair
hij in of omstreeks de periode van 11 juli 2006 tot en met 12 juli 2006 te [plaats] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [X] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte, toen aldaar (al dan niet na kalm beraad en rustig overleg) een kabelbinder om de hals van die [X] gebonden en/of deze (te) strak aangetrokken en/of (vervolgens) deze kabelbinder (al dan niet na kalm beraad en rustig overleg) strak aangetrokken gehouden rond de hals van die [X] en/of nagelaten deze kabelbinder (tijdig) los te maken en/of vervolgens (meermalen) met een mes gestoken in de borst van die [X] en/of een (plastic) zak over het hoofd van die [X] getrokken, tengevolge waarvan voornoemde [X] is overleden;
Subsidiair
hij in of omstreeks de periode van 11 juli 2006 tot en met 12 juli 2006 te [plaats] opzettelijk mishandelend [X] heeft vastgepakt (bij haar badjas) en/of haar lichaam heeft betast en/of die [X] heeft geslagen en/of geduwd en/of die [X] een kopstoot heeft gegeven, althans een blauw oog bezorgd, en/of die [X] ten val heeft gebracht en/of de onderbroek van die [X] heeft uitgetrokken en/of een kabelbinder om de hals van die [X] heeft aangelegd en/of deze kabelbinder (te) strak heeft aangetrokken en/of deze kabelbinder enige tijd (te) strak aangetrokken heeft gehouden rond de hals van die [X] en/of heeft nagelaten deze kabelbinder (tijdig) los te maken en/of vervolgens (meermalen) met een mes heeft gestoken in de borst van die [X] en/of een (plastic) zak over het hoofd van die [X] heeft getrokken, tengevolge waarvan voornoemde [X] is overleden.”
1.5
Het hof heeft na een beoordeling van het bewijs de gewezen verdachte vrijgesproken, en daartoe overwogen dat niet met een voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de gewezen verdachte het hem primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
1.6
Het openbaar ministerie heeft beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof. In zijn arrest van 13 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6250 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep verworpen. Daardoor is het arrest van het hof onherroepelijk geworden.

2.De aanvraag tot herziening

2.1
De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De aanvraag berust op de stelling dat sprake is van een gegeven dat aan de rechter bij het onderzoek op de terechtzitting niet bekend was en waardoor het ernstige vermoeden ontstaat dat, als dit gegeven bekend zou zijn geweest, de zaak zou zijn geëindigd in een veroordeling van de gewezen verdachte voor een opzettelijk begaan misdrijf dat de dood van een ander ten gevolge heeft, en dat herziening in het belang is van een goede rechtsbedeling (artikel 482a lid 1, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv)). Het betreffende gegeven bestaat volgens de herzieningsaanvraag uit de resultaten van DNA-onderzoek die zijn verkregen door middel van nieuwe onderzoekstechnieken die ten tijde van het voorbereidend onderzoek in de strafzaak nog niet bestonden en waarbij die resultaten dus pas zijn verkregen nadat de einduitspraak waarop de aanvraag betrekking heeft, onherroepelijk was geworden.
2.2
Hoewel de wet daarin niet voorziet, is de raadsman van de gewezen verdachte, S.V. Jansen, in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen tegen de aanvraag. Van die gelegenheid heeft hij gebruik gemaakt.

3.De conclusie van de procureur-generaal

De procureur-generaal F.W. Bleichrodt heeft ertoe geconcludeerd dat de Hoge Raad de behandeling van het herzieningsverzoek zal schorsen teneinde het EHRM op grond van artikel 1 lid 1 van Pro het Zestiende Protocol bij het EVRM te verzoeken een advisory opinion uit te brengen over de in de conclusie onder 8.22 tot en met 8.24 opgeworpen vragen.

4.Beoordeling van de ontvankelijkheid van de aanvraag

4.1
Op grond van artikel 482a Sv kan de Hoge Raad in de gevallen zoals genoemd in die bepaling op aanvraag van het College van procureurs-generaal een onherroepelijke einduitspraak van de rechter in Nederland ten nadele van de gewezen verdachte herzien. Als de Hoge Raad de aanvraag tot herziening ten nadele gegrond acht, verwijst de Hoge Raad de zaak in beginsel op grond van artikel 482g lid 1 Sv naar een rechtbank om hetzij de onherroepelijke uitspraak te handhaven hetzij met vernietiging daarvan opnieuw recht te doen. Dat kan er in een geval als dit – waarin de herziening is gevraagd van een onherroepelijke vrijspraak van een opzettelijk begaan misdrijf dat de dood van een ander ten gevolge heeft – toe leiden dat de gewezen verdachte andermaal wordt vervolgd, berecht en eventueel veroordeeld voor dat misdrijf. De herziening ten nadele van een onherroepelijke uitspraak is daarom een ingrijpend, buitengewoon rechtsmiddel.
Vraagstelling
4.2.1
Artikel 482a Sv is opgenomen in de Tweede Afdeling (“Herziening ten nadele van de gewezen verdachte”) van Titel VIII (“Herziening van arresten en vonnissen”) van het Derde Boek (“Rechtsmiddelen”) van het Wetboek van Strafvordering. De bepalingen van die Tweede Afdeling zijn ingevoerd bij Wet van 11 april 2013 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de invoering van een regeling betreffende herziening ten nadele van de gewezen verdachte (Wet herziening ten nadele), Stb. 2013, 138. Deze bepalingen zijn in werking getreden op 1 oktober 2013 en dus nadat het arrest van het hof onherroepelijk was geworden.
4.2.2
Voor 1 oktober 2013 bestond in het Nederlandse strafprocesrecht geen wetgeving die de herziening ten nadele van de gewezen verdachte van een onherroepelijke uitspraak van de strafrechter mogelijk maakte. Dat roept de vraag op of de regeling van de herziening ten nadele kan worden toegepast op rechterlijke uitspraken als bedoeld in artikel 482a Sv die onherroepelijk zijn geworden voordat die regeling in werking trad.
4.3
In de conclusie van de procureur-generaal onder 8.2 komt in dit verband naar voren dat het Europees hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) zich nog niet heeft uitgesproken over de vraag of de toepassing van een wettelijke regeling van herziening ten nadele op rechterlijke uitspraken die vóór de inwerkingtreding van de wet in kracht van gewijsde zijn gegaan, in overeenstemming kan zijn met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en, zo ja, onder welke omstandigheden dat het geval is.
4.4
Deze strafzaak is het tweede geval waarin het openbaar ministerie herziening ten nadele van een gewezen verdachte heeft verzocht. Het in een andere strafzaak gedane verzoek heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 8 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2520, waarin de aanvraag is afgewezen. In dat arrest heeft de Hoge Raad niet de vraag beantwoord of naar Nederlands recht – in het bijzonder gelet op artikel 68 van Pro het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) – de regeling van de herziening ten nadele kan worden toegepast op rechterlijke uitspraken als bedoeld in artikel 482a Sv die onherroepelijk zijn geworden voordat die regeling in werking trad. Daarnaast heeft de Hoge Raad in datzelfde arrest in het midden gelaten of de toepassing van de op 1 oktober 2013 in werking getreden regels over de herziening ten nadele op voor die datum onherroepelijk geworden einduitspraken houdende vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging, verenigbaar is met het EVRM. De Hoge Raad overweegt hierover nu het volgende.
Relevante wettelijke en verdragsrechtelijke bepalingen
4.5
De volgende wettelijke en verdragsrechtelijke bepalingen zijn van belang.
- Artikel 4 van Pro de Wet algemene bepalingen:
“De wet verbindt alleen voor het toekomende en heeft geene terugwerkende kracht.”
- Artikel 68 lid 1 Sr Pro, opgenomen in Titel VIII (“Verval van het recht tot strafvordering en van de straf”) van het Eerste Boek (“Algemene bepalingen”) van het Wetboek van Strafrecht:
“Behoudens de gevallen waarin rechterlijke uitspraken voor herziening vatbaar zijn, kan niemand andermaal worden vervolgd wegens een feit waarover te zijnen aanzien bij gewijsde van de rechter in Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba onherroepelijk is beslist.”
- Artikel 482a Sv:
“1. De Hoge Raad kan op aanvraag van het College van procureurs-generaal een onherroepelijke einduitspraak van de rechter in Nederland houdende vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging ten nadele van de gewezen verdachte herzien indien dit in het belang is van een goede rechtsbedeling en:
a. er sprake is van een gegeven dat aan de rechter bij het onderzoek op de terechtzitting niet bekend was en waardoor het ernstige vermoeden ontstaat dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, de zaak zou zijn geëindigd in een veroordeling van de gewezen verdachte voor een opzettelijk begaan misdrijf dat de dood van een ander ten gevolge heeft;
b. de uitspraak berust op stukken waarvan de valsheid na de uitspraak is vastgesteld en het ernstige vermoeden bestaat dat indien de valsheid aan de rechter bekend zou zijn geweest, de zaak zou zijn geëindigd in een veroordeling van de gewezen verdachte;
c. het is komen vast te staan dat een getuige of deskundige zich met betrekking tot de zaak aan het in artikel 207 van Pro het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf schuldig heeft gemaakt en het ernstige vermoeden bestaat dat indien de meinedigheid aan de rechter bekend zou zijn geweest, de zaak zou zijn geëindigd in een veroordeling van de gewezen verdachte;
d. het na het onherroepelijk worden van de uitspraak is komen vast te staan dat de gewezen verdachte zich met betrekking tot zijn strafzaak schuldig heeft gemaakt aan een van de in de artikelen 177 tot en met 178, 179, 284, 284a, 285 en 285a van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijven en het ernstige vermoeden bestaat dat indien de verdachte dit misdrijf niet zou hebben begaan de zaak zou zijn geëindigd in een veroordeling van de gewezen verdachte.
2. Herziening ten nadele van de gewezen verdachte van een onherroepelijke einduitspraak van de rechter in Nederland is tevens mogelijk indien is komen vast te staan dat de rechter zich met betrekking tot de aan zijn oordeel onderworpen zaak schuldig heeft gemaakt aan het in artikel 364 van Pro het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijf.
3. Als een in het eerste lid, onder a, bedoeld gegeven kunnen uitsluitend worden aangemerkt:
a. verklaringen, schriftelijke bescheiden of processen-verbaal, houdende een geloofwaardige bekentenis van de gewezen verdachte of van een persoon die wegens hetzelfde feit is vrijgesproken of ontslagen van alle rechtsvervolging, dan wel
b. de resultaten van technisch onderzoek.
4. Indien de in artikel 482b, tweede lid, bedoelde bewijsmiddelen het resultaat zijn van onderzoek dat niet overeenkomstig de wettelijke voorschriften heeft plaatsgevonden en waarbij een inbreuk is gemaakt op een recht van de gewezen verdachte worden deze bewijsmiddelen niet in aanmerking genomen bij de beoordeling van de herzieningsaanvraag en niet als bewijs in de strafzaak gebruikt.
5. Onder een misdrijf als bedoeld in het eerste lid, onder a, is niet begrepen de medeplichtigheid aan, poging tot en voorbereiding van dat misdrijf.”
- Artikel 482b lid 3, aanhef en onder b, Sv:
“De Hoge Raad verklaart de herzieningsaanvraag niet-ontvankelijk indien:
b. op het moment waarop de herzieningsaanvraag wordt ingediend het recht tot strafvordering voor het strafbare feit waarop de aanvraag betrekking heeft is vervallen door verjaring of door het overlijden van de gewezen verdachte.”
- Artikel 482g lid 1 en 2 Sv:
“1. Indien de Hoge Raad de herzieningsaanvraag gegrond acht, verwijst hij de zaak naar een rechtbank die daarvan nog geen kennis heeft genomen en die niet gelegen is binnen het ressort van een gerechtshof dat kennis heeft genomen van de zaak, teneinde hetzij de onherroepelijke uitspraak te handhaven hetzij met vernietiging daarvan opnieuw recht te doen.
2. Het rechtsgeding in de verwezen zaak wordt gevoerd met overeenkomstige toepassing van de Zesde Titel van het Tweede Boek, de Tweede en Derde Titel van het Derde Boek, en artikel 476, vierde lid. Het opsporingsonderzoek wordt verricht volgens de daarvoor geldende bepalingen voor zover deze afdeling geen afwijkende bepalingen bevat.”
- Artikel 6 EVRM Pro, in de Nederlandse vertaling:
“1. Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden.
2. Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.
3. Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten:
a. onverwijld, in een taal die hij verstaat en in bijzonderheden, op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging;
b. te beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging;
c. zich zelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze of, indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen;
d. de getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen en het oproepen en de ondervraging van getuigen à décharge te doen geschieden onder dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge;
e. zich kosteloos te doen bijstaan door een tolk, indien hij de taal die ter terechtzitting wordt gebezigd niet verstaat of niet spreekt.”
- Artikel 7 lid 1 EVRM Pro, in de Nederlandse vertaling:
“Niemand mag worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin mag een zwaardere straf worden opgelegd dan die, die ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was.”
- Artikel 4 van Pro het (door Nederland niet geratificeerde) Zevende Protocol bij het EVRM, in de Nederlandse vertaling:
“1. Niemand wordt opnieuw berecht of gestraft in een strafrechtelijke procedure binnen de rechtsmacht van dezelfde Staat voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld overeenkomstig de wet en het strafprocesrecht van die Staat.
2. De bepalingen van het voorgaande lid beletten niet de heropening van de zaak overeenkomstig de wet en het strafprocesrecht van de betrokken Staat, indien er aanwijzingen zijn van nieuwe of pas aan het licht gekomen feiten, of indien er sprake was van een fundamenteel gebrek in het vorige proces, die de uitkomst van de zaak zouden of zou kunnen beïnvloeden.”
- Artikel 1 van Pro het Zestiende Protocol bij het EVRM, in de Nederlandse vertaling:
“1. Hoogste rechterlijke instanties van een Hoge Verdragsluitende Partij, zoals aangewezen in overeenstemming met artikel 10, kunnen het Hof verzoeken advies uit te brengen over principiële vragen inzake de uitlegging of toepassing van de rechten en vrijheden die zijn omschreven in het Verdrag of de protocollen daarbij.
2. De verzoekende rechterlijke instantie mag uitsluitend om advies verzoeken binnen de context van een bij haar aanhangige zaak.
3. De verzoekende rechterlijke instantie omkleedt haar verzoek met redenen en verstrekt de relevante juridische en feitelijke achtergrond van de aanhangige zaak.”
De totstandkomingsgeschiedenis van de Wet herziening ten nadele
4.6.1
Het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet herziening ten nadele bevatte aanvankelijk een bepaling van overgangsrecht (artikel II) die luidde:
“Geen herziening ten nadele van de gewezen verdachte vindt plaats van een arrest of vonnis dat onherroepelijk is geworden voor het tijdstip waarop deze wet in werking treedt.”
(Kamerstukken II 2008/09, 32044, nr. 2.)
4.6.2
De memorie van toelichting bij dit wetsvoorstel houdt over dat artikel II in:
“In het strafprocesrecht geldt als hoofdregel dat de wet die geldt ten tijde van het desbetreffende strafvorderlijke handelen meteen na de inwerkingtreding van deze wet moet worden toegepast. Het in artikel 1, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht neergelegde verbod van terugwerkende kracht geldt niet op het terrein van het strafprocesrecht. Wel dient het strafvorderlijke overheidsoptreden plaats te vinden in overeenstemming met de algemene beginselen van een behoorlijke strafrechtspleging. Deze houden onder meer in dat de overheid gerechtvaardigde verwachtingen van burgers dient te respecteren. Omdat Nederland thans niet de mogelijkheid van een herziening ten nadele kent, is ten aanzien van personen die onherroepelijk zijn vrijgesproken of ontslagen van alle rechtsvervolging de verwachting gewekt dat deze uitspraak niet ten nadele van hen kan worden herzien. Daarom maakt het voorgestelde artikel II in zoverre een uitzondering op de bovenstaande hoofdregel dat geen herziening ten nadele plaatsvindt van een uitspraak die onherroepelijk is geworden voor het tijdstip waarop dit wetsvoorstel, na tot wet te zijn verheven, in werking treedt.
Het College van procureurs-generaal bepleit om de regeling van herziening ten nadele onmiddellijke werking toe te kennen. Het College meent dat niet kan worden volgehouden dat een gewezen verdachte van een moord waarvoor hij voor de datum van inwerkingtreding onherroepelijk is vrijgesproken, de gerechtvaardigde verwachting mag koesteren dat de overheid niet zal trachten hem alsnog voor zijn daad te vervolgen «als de wet eenmaal die mogelijkheid biedt». Zoals het College opmerkt zou de regeling onmiddellijke werking kennen als de normale regels van strafvordering zouden worden gevolgd. Voor mij weegt echter zwaar dat herziening ten nadele een zeer zwaar rechtsmiddel is dat ingrijpt op de rechtspositie van de gewezen verdachte. Het is gebruikelijk en wenselijk om, bij verkregen rechten van de verdachte burger, ook in eerbiedigende werking te voorzien als het gaat om regelingen die het vervolgingsrecht van het Openbaar Ministerie raken. Ik wijs in dit verband op het overgangsrecht van artikel III van de wet van 16 november 2005, Stb. 595 (opheffing verjaringstermijn bij zeer ernstige delicten), volgens hetwelk zware misdrijven die voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van die wet reeds zijn verjaard, niet alsnog kunnen worden vervolgd doordat op die datum de voor deze misdrijven geldende verjaringstermijnen zijn verruimd of afgeschaft. Ook kan worden gewezen op het overgangsrecht van artikel XIII van de wet van 22 december 2005, Stb. 2006, 11 volgens hetwelk in het buitenland begane en aldaar niet strafbare vrouwelijke genitale verminking, begaan door een persoon die pas na het feit een formele band met de Nederlandse rechtsorde heeft verkregen, in Nederland alleen vervolgbaar is geworden in geval deze verminking na de datum van inwerkingtreding van die wet is begaan. Om deze redenen meen ik dat het in artikel II van dit wetsvoorstel voorziene overgangsrecht gerechtvaardigd en wenselijk is.”
(Kamerstukken II 2008/09, 32044, nr. 3, p. 28-29.)
4.6.3
De nota naar aanleiding van het verslag houdt onder meer in:
“De leden van de CDA-fractie vroegen of het juridisch mogelijk is aan het wetsvoorstel «terugwerkende kracht» toe te kennen. Voor het geval het antwoord bevestigend zou luiden, wilden deze leden vernemen waarom daarvoor niet is gekozen. Graag beantwoord ik deze vragen als volgt. Er is geen harde wettelijke of verdragsrechtelijke juridische regel die zich ertegen verzet aan de voorgestelde regeling onmiddellijke werking toe te kennen, en deze dus toe te passen op strafzaken die voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding met een onherroepelijke vrijspraak zijn afgesloten. De reden waarom de regering het toch wenselijk acht om aan de regeling overgangsrecht te verbinden dat uitgaat van eerbiedigende werking, is dat op grond van algemene beginselen van een behoorlijke strafrechtspleging gerechtvaardigde verwachtingen van burgers – waar onder begrepen de burgers die onherroepelijk zijn vrijgesproken – te respecteren. Nederland kent thans niet de mogelijkheid van herziening ten nadele. Ten aanzien van personen die onherroepelijk zijn vrijgesproken is daarmee de verwachting gewekt dat deze uitspraak niet ten nadele van hen kan worden herzien. Op dit moment kunnen gewezen verdachten aan een onherroepelijke vrijspraak een onvoorwaardelijk recht ontlenen niet opnieuw met strafvorderlijk overheidsoptreden te worden geconfronteerd. Hoewel het verbod van terugwerkende kracht strikt genomen niet van toepassing is op een strafvorderlijke regeling zoals de voorliggende, is het in het algemeen gebruikelijk en wenselijk om, bij verkregen rechten van de verdachte burger, ook in eerbiedigende werking te voorzien als het gaat om regelingen die het vervolgingsrecht van het Openbaar Ministerie raken. In dit verband kan onder andere worden gewezen op de wetswijziging als gevolg waarvan de verjaringstermijn die voorheen verbonden was aan misdrijven waarop levenslange gevangenisstraf is gesteld, werd opgeheven (Wet van 16 november 2005, Stb. 595). Thans volgt uit artikel 70 Sr Pro dat misdrijven waarop levenslange gevangenisstraf is gesteld, niet verjaren. De desbetreffende wijzigingswet bevat overgangsrecht dat tot gevolg heeft de verjaringstermijn die op het moment van inwerkingtreding bij misdrijven waarop levenslange gevangenisstraf is gesteld nog liepen, werden afgeschaft, maar dat indien deze misdrijven op het moment van inwerkingtreding van de bedoelde wijzigingswet al waren verjaard, het vervolgingsrecht daarvoor niet alsnog herleefde. De parallel met het voorliggende wetsvoorstel dringt zich op: in strafzaken die op het moment van inwerkingtreding van de beoogde regeling nog niet met een onherroepelijke vrijspraak zijn afgesloten, is herziening ten nadele mogelijk; in zaken waarin de vrijspraak voorafgaand aan dat moment inmiddels onherroepelijk is geworden, niet.
De leden van de VVD-fractie vroegen of zij het juist zagen dat aan wijzigingen van het strafprocesrecht in het algemeen onmiddellijke werking wordt toegekend. Voor het geval dat juist is vroegen deze leden waarom in het wetsvoorstel van eerbiedigende werking wordt uitgegaan. Graag verwijs ik deze leden naar het antwoord dat ik hierboven gaf op gelijksoortige vragen van de leden van de CDA-fractie. De leden van de VVD-fractie wezen op het belang de waarheid te achterhalen en de belangen van slachtoffers en nabestaanden. Zij vroegen of de afschaffing van de verjaringstermijn voor misdrijven waarop levenslange gevangenisstraf is gesteld, ervoor pleit herziening ten nadele op afgesloten strafzaken te kunnen toepassen. Om redenen die ik hierboven in antwoord op vragen van de CDA-fractie uiteen heb gezet, kan aan de wet waarbij de verjaringstermijn van misdrijven waarop levenslange gevangenisstraf is gesteld, werd afgeschaft, een argument worden ontleend vóór het in het voorliggende wetsvoorstel opgenomen overgangsrecht; in die wijzigingswet is voorzien in overgangsrecht als gevolg waarvan het vervolgingsrecht – door afschaffing van de verjaringstermijn – niet herleefde bij de misdrijven die op het tijdstip van inwerkingtreding van die wet al waren verjaard. Het belang de waarheid te achterhalen en de belangen van slachtoffers en nabestaanden rechtvaardigden volgens de wetgever toen wel de afschaffing van een op het tijdstip van inwerkingtreding nog lopende verjaringstermijn, maar niet herleving van het vervolgingsrecht bij reeds verjaarde misdrijven.”
(Kamerstukken II 2009/10, 32044, nr. 6, p. 18-19.)
4.6.4
Het onder 4.6.1 bedoelde voorgestelde artikel II is bij de tweede nota van wijziging geschrapt. Die nota houdt daarover in:
“Herziening ten nadele «met terugwerkende kracht» (onderdeel B)
De in het wetsvoorstel opgenomen regeling volgens welke onherroepelijke vrijspraken van de strafrechter ten nadele van de gewezen verdachte kunnen worden herzien, is een strafvorderlijke regeling. In het algemeen geldt voor (nieuwe) strafvorderlijke regelingen de hoofdregel dat daaraan vanaf het moment van inwerkingtreding onmiddellijke werking toekomt. Dat betekent dat deze regelingen ook van toepassing zijn op feiten die op het moment van inwerkingtreding al bestaan, zoals een vrijspraak. In het wetsvoorstel zoals dat bij de Tweede Kamer is ingediend, is op deze hoofdregel een uitzondering gemaakt voor herziening ten nadele. Er is een bepaling van overgangsrecht opgenomen (artikel II) waarin (nog) bepaald wordt dat geen herziening ten nadele van de gewezen verdachte plaatsvindt in gevallen waarin de vrijspraak vóór de datum van inwerkingtreding van de wet onherroepelijk is geworden.
Zoals blijkt uit het regeerakkoord is het kabinet, evenals het College van procureurs-generaal in zijn over het concept van dit wetsvoorstel uitgebrachte advies, van mening dat herziening ten nadele ook mogelijk moet zijn in strafzaken die vóór de datum van inwerkingtreding met een vrijspraak zijn afgesloten. Deze hieronder toegelichte nieuwe afweging van de in het geding zijnde belangen geeft aanleiding de bepaling van overgangsrecht die in het wetsvoorstel was voorzien, bij deze nota van wijziging te schrappen. De voorgestelde regeling van herziening ten nadele krijgt daardoor onmiddellijke werking. De redenen om herziening ten nadele met «terugwerkende kracht» mogelijk te maken, zijn de volgende.
Het overgangsrecht dat in het wetsvoorstel was opgenomen, is in de memorie van toelichting (paragraaf 14) gemotiveerd met de algemene overweging dat de overheid gerechtvaardigde belangen van burgers moet respecteren, dat herziening ten nadele thans niet mogelijk is, en dat daarom ten aanzien van gewezen verdachten de verwachting is gewekt dat de onherroepelijke vrijspraak niet in hun nadeel zal worden herzien. In lijn met het hierboven bedoelde advies van het College van procureurs-generaal is het kabinet evenwel van mening dat als de gewezen verdachte van een zeer ernstig misdrijf is vrijgesproken, en naderhand uit een novum voortvloeit dat hij toch de dader moet zijn, een aan het huidige recht te ontlenen verwachting dat herziening in dat geval niet mogelijk is, bij afweging tegen de belangen van de samenleving – waaronder begrepen de belangen van slachtoffers en nabestaanden – dat onterechte vrijspraken moeten kunnen worden herzien, niet zonder meer moet worden gehonoreerd (tenzij het strafbaar feit waarop de vrijspraak betrekking heeft inmiddels is verjaard, zie hierna). Het kabinet is van mening dat ook personen die voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van ernstige strafbare feiten zijn vrijgesproken, bij het aan het licht komen van een novum, in beginsel geen aanspraak kunnen maken op vrijwaring van verdere vervolging.
In het wetsvoorstel is onder andere de voorwaarde opgenomen dat herziening ten nadele alleen in het belang van een goede rechtsbedeling kan plaatsvinden (zie het voorgestelde artikel 482a, eerste lid, Sv). Dit houdt in dat voor de beantwoording van de vraag of in een concreet geval een onherroepelijke vrijspraak ten nadele van de gewezen verdachte kan worden herzien, een afweging moet worden gemaakt tussen enerzijds het belang van de samenleving – waaronder begrepen dat van slachtoffers of nabestaanden – en anderzijds het belang van de individuele gewezen verdachte om na een onherroepelijke rechterlijke vrijspraak niet opnieuw voor hetzelfde feit met strafvorderlijk overheidsoptreden te worden geconfronteerd. Dat herziening ten nadele alleen in het belang van een goede rechtsbedeling kan plaatsvinden, heeft overigens mede een verdragsrechtelijke achtergrond, omdat de procedure tot herziening ten nadele mede een rol kan spelen bij de beoordeling of van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) sprake is (zie hierover nader in paragraaf 4 van de nota naar aanleiding van het verslag).
Het maatschappelijke belang om onterechte vrijspraken te kunnen herzien, kan ook in strafzaken uit een recenter verleden zwaarder wegen dan het belang van de gewezen verdachte om met rust te worden gelaten. Met andere woorden: ook herziening van vrijspraken die vóór de datum van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel onherroepelijk zijn geworden, kan in het belang zijn van een goede rechtsbedeling. Dat herziening ten nadele in het belang van een goede rechtsbedeling dient te zijn, stelt aan het heropenen van in het verleden met een vrijspraak afgesloten strafzaken overigens wel een grens. Tijdsverloop is een van de factoren die in aanmerking moet worden genomen bij de beoordeling of herziening ten nadele in het belang is van een goede rechtsbedeling. Dat geldt overigens niet alleen voor vrijspraken van vóór de datum van inwerkingtreding van de beoogde regeling, maar ook voor vrijspraken die na de datum van inwerkingtreding worden uitgesproken. In het criterium van het belang van een goede rechtsbedeling en in de omstandigheid dat tijdsverloop daarbij een van de wegingsfactoren is, kan echter geen argument worden gevonden om vrijspraken die stammen van vóór de datum van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel reeds op voorhand uit te sluiten.
Het kabinet meent dat er, bezien vanuit de voorwaarde dat herziening ten nadele in het belang van een goede rechtsbedeling kan plaatsvinden, geen aanleiding is om gewezen verdachten die vóór de datum van inwerkingtreding van de beoogde wet onherroepelijk zijn vrijgesproken op voorhand een sterkere positie te geven dan gewezen verdachte die na die datum worden vrijgesproken.
Het wetsvoorstel blijft ervan uitgaan dat geen herziening ten nadele mogelijk is bij strafbare feiten die zijn verjaard (artikel 482b, derde lid, Sv). Ook van de vrijspraken die vóór de datum van inwerkingtreding zijn uitgesproken, kunnen dus alleen die vrijspraken worden herzien, die betrekking hebben op strafbare feiten die nog niet zijn verjaard. Voortzetting van de vervolging door herziening van een onherroepelijke vrijspraak is alleen mogelijk in een geval waarin het recht tot strafvervolging voor de desbetreffende feiten bestaat. De verjaringsregeling is dus niet alleen bepalend voor de mogelijkheden om strafvervolging in te stellen in het algemeen, maar ook voor de mogelijkheden om, als aan de voorwaarden van de in het wetsvoorstel voorgestelde regeling is voldaan, de vervolging door herziening van een onherroepelijke vrijspraak voort te zetten. Wat betreft herziening ten nadele op grond van een novum is deze beperking vooral van betekenis voor de misdrijven waarmee de regeling door deze nota van wijziging (zie hieronder, bij de toelichting op onderdeel A) wordt uitgebreid; de misdrijven waarbij het wetsvoorstel zoals het bij de Tweede Kamer werd ingediend, al herziening ten nadele op grond van een novum mogelijk maakte, zijn misdrijven waarop levenslange gevangenisstraf is gesteld. Deze kunnen ingevolge de geldende verjaringsregeling niet verjaren. De strafbare feiten waarmee de regeling door deze nota van wijziging wordt uitgebreid, kunnen op grond van de geldende verjaringsregeling echter wel verjaren. Herziening ten nadele mogelijk maken van reeds verjaarde feiten zou allereerst niet sporen met de ratio van het instituut van de verjaring. Voor zover de samenleving na het verstrijken van de verjaringstermijnen nog enig belang zou hebben bij een strafvervolging kan dit niet opwegen tegen het belang van de verdachte om niet na al die jaren aan een strafrechtelijk onderzoek te worden onderworpen. Dit laatste belang weegt bij verdachten die onherroepelijk zijn vrijgesproken niet minder zwaar dan bij verdachten die nog niet vervolgd zijn (of die vervolgd zijn zonder dat dit tot een inhoudelijke eindbeslissing van de rechter heeft geleid). Daarbij komt, dat ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat het hernieuwd vervolgen alsmede bestraffen van strafbare feiten die volgens het nationale recht reeds zijn verjaard, in strijd zal komen met artikel 7, eerste lid, EVRM. In de zaak Kononov tegen Letland overwoog de Derde Kamer van het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM) dat de aan de orde zijnde feiten waren verjaard en dat artikel 7, eerste lid, EVRM in principe eraan in de weg staat dat een mogelijkheid van bestraffing wordt geschapen voor strafbare feiten die al zijn verjaard (EHRM 24 juli 2008, application no. 36376/04, rechtsoverweging 144). De Grote Kamer van het EHRM, waarnaar de zaak vervolgens werd verwezen, oordeelde dat de feiten echter niet waren verjaard en nam mede om deze reden aan dat van schending van artikel 7, eerste lid, EVRM geen sprake was (EHRM 17 mei 2010, application no. 36376/04, rechtsoverwegingen 228-233). Gelet op deze overwegingen gaat het kabinet ervan uit dat ook in de ogen van de Grote Kamer een probleem met artikel 7, eerste lid, EVRM zou rijzen als de feiten wél zouden zijn verjaard. Op basis van deze jurisprudentie mag worden aangenomen dat artikel 7 EVRM Pro in beginsel aan het vervolgen en bestraffen van reeds verjaarde strafbare feiten in de weg staat. Dat zal niet anders zijn in gevallen waarin voor reeds verjaarde strafbare feiten in een eerder stadium onherroepelijk is vrijgesproken.”
(Kamerstukken II 2010/11, 32044, nr. 8, p. 2-4.)
4.6.5
Het – door de toenmalige minister niet overgenomen – advies van de Raad van State over het schrappen van het onder 4.6.1 bedoelde voorgestelde artikel II houdt in:
“1. Inleiding
(...)
In de tweede plaats wordt voorgesteld herziening ten nadele ook mogelijk te maken in strafzaken die vóór de datum van inwerkingtreding van de wet met een onherroepelijke vrijspraak zijn afgesloten. Daartoe wordt voorgesteld de bepaling van overgangsrecht in het wetsvoorstel, inhoudende dat geen herziening ten nadele van de gewezen verdachte plaatsvindt in gevallen waarin de vrijspraak vóór de datum van inwerkingtreding van de wet onherroepelijk is geworden, te schrappen. De voorgestelde regeling van herziening ten nadele krijgt daardoor onmiddellijke werking. Heropenen van vrijspraken is echter niet mogelijk bij afgesloten strafzaken die op het moment van het indienen van de herzieningsaanvraag reeds zijn verjaard. Redengevend voor deze wijziging is dat, als de gewezen verdachte voor een zeer ernstig misdrijf is vrijgesproken en naderhand uit een novum voortvloeit dat hij toch de vermoedelijke dader is, van een gerechtvaardigde en te respecteren verwachting dat een onherroepelijke uitspraak niet wordt herzien, geen sprake kan zijn.
(...)
2. Onmiddellijke werking
In het oorspronkelijke wetsvoorstel wordt uitgegaan van eerbiedigende werking, zodat herziening ten nadele slechts van toepassing kan zijn op uitspraken die na het tijdstip van inwerkingtreding onherroepelijk zijn geworden. Reden is dat herziening ten nadele nieuw is in het Nederlandse stelsel en dat op grond van algemene beginselen van een behoorlijke strafrechtspleging gerechtvaardigde verwachtingen van burgers – waaronder begrepen de burgers die onherroepelijk zijn vrijgesproken – dienen te worden gerespecteerd. Ten aanzien van personen die onherroepelijk zijn vrijgesproken is daarmee de verwachting gewekt dat deze uitspraak niet ten nadele van hen kan worden herzien. Naar huidig recht kunnen gewezen verdachten aan een onherroepelijke vrijspraak een onvoorwaardelijk recht ontlenen niet opnieuw met strafvorderlijk overheidsoptreden te worden geconfronteerd. Overwogen is dat «hoewel het verbod van terugwerkende kracht strikt genomen niet van toepassing is op een strafvorderlijke regeling zoals de voorliggende, het in het algemeen gebruikelijk en wenselijk is om, bij verkregen rechten van de verdachte burger, ook in eerbiedigende werking te voorzien als het gaat om regelingen die het vervolgingsrecht van het Openbaar Ministerie raken.» Gewezen is voorts op het initiatiefwetsvoorstel van de leden Van Haersma Buma en Dittrich dat heeft geleid tot de Wet van 16 november 2005, Stb. 295. Op grond van die wet is de verjaringstermijn van misdrijven waarop levenslange gevangenisstraf is gesteld, opgeheven. In deze wet is voorzien in overgangsrecht als gevolg waarvan het vervolgingsrecht door afschaffing van de verjaringstermijn niet herleeft bij de misdrijven die op het tijdstip van inwerkingtreding van die wet al waren verjaard. Het belang de waarheid te achterhalen en de belangen van slachtoffers en nabestaanden rechtvaardigen wel de afschaffing van een op het tijdstip van inwerkingtreding nog lopende verjaringstermijn, maar niet herleving van het vervolgingsrecht bij reeds verjaarde misdrijven. Zowel door de Raad van State als tijdens de behandeling van het initiatiefwetsvoorstel is in het bijzonder gewezen op het rechtszekerheidsbeginsel. De aanpassing van de verjaringsregeling dient in verband met dit beginsel niet erin te resulteren dat een inmiddels verjaard strafbaar feit wederom vervolgbaar wordt. Dat uitgangspunt is ook bij de verjaring van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid gekozen. Daar is ook het standpunt ingenomen dat de heropening van een verstreken verjaring op principiële gronden wordt afgewezen. Bij de afweging van de belangen van rechtszekerheid van de verdachte en het belang van slachtoffers en nabestaanden is ervoor gekozen de belangen van de slachtoffers minder zwaar te laten wegen. De verwachting voor een onherroepelijk vrijgesprokene is thans dat zijn zaak ook bij een novum niet te zijnen nadele kan worden herzien. Het huidige recht rechtvaardigt die verwachting. De voorgestelde introductie van de herziening ten nadele maakt deze verwachting niet ongerechtvaardigd en leidt er evenmin toe dat deze verwachting niet langer hoeft te worden gerespecteerd. Zoals bij de opheffing van de verjaringstermijn geldt ook hier dat de rechtszekerheid ernstig in het gedrang komt door niet langer rekening te houden met verwachtingen die op grond van het huidige recht gerechtvaardigd zijn. Een novum na een onherroepelijke uitspraak leidt niet tot een andere opvatting. Voorts kan het in de toelichting genoemde criterium van het belang van een goede rechtsbedeling, dat ook al deel uitmaakte van het oorspronkelijke wetsvoorstel en dat de beoordeling of alsnog zal worden vervolgd primair in handen legt van het openbaar ministerie, niet in de plaats treden van de in het oorspronkelijke wetsvoorstel zelf neergelegde overgangsrechtelijke beperking. Terecht is in het oorspronkelijke voorstel dan ook gekozen voor eerbiedigende werking, ook als van een novum is gebleken. De Afdeling adviseert daarom af te zien van de schrapping van artikel II.”
(Kamerstukken II 2010/11, 32044, nr. 9, p. 2-3.)
4.6.6
De memorie van antwoord aan de Eerste Kamer houdt onder meer in:
“2. Algemeen
(...)
Met andere woorden: pas als de bestaande herzieningsregeling, die thans alleen herziening ten voordele mogelijk maakt, met een mogelijkheid van herziening ten nadele wordt uitgebreid, zal artikel 68 Sr Pro niet meer aan herziening ten nadele in de weg staan. Onder «gevallen waarin rechterlijke uitspraken voor herziening vatbaar zijn» moeten immers alle gevallen worden verstaan waarin de wet herziening mogelijk maakt. Deze uitleg spoort met de oorspronkelijke bedoeling van artikel 68 Sr Pro, aangezien het Wetboek van Strafvordering bij de totstandkoming van dat artikel herziening ten nadele niet mogelijk maakte. Uit het onderzoek van mevrouw Van Hattum blijkt dat het bij de totstandkoming van artikel 68 Sr Pro uitdrukkelijk de bedoeling was om de eerdere uitsluiting van de mogelijkheid van herziening ten nadele, te handhaven. Omdat artikel 68 Sr Pro echter niet specificeert om welke vorm van herziening het gaat, staat dat artikel herziening ten nadele toe zodra de herzieningsregeling in het Wetboek van Strafvordering met die vorm van herziening wordt uitgebreid, wat bij aanvaarding en inwerkingtreding van dit wetsvoorstel, eenmaal wet geworden, het geval zal zijn. De uitbreiding van de herzieningsregeling werkt dus automatisch in artikel 68 Sr Pro door. Op deze wijze wordt weliswaar van de oorspronkelijke bedoeling van artikel 68 Sr Pro afgeweken, maar dat is bij dit wetsvoorstel dan ook uitdrukkelijk de bedoeling. Als dit wetsvoorstel eenmaal wet zal zijn geworden en in werking zal zijn getreden, volgt daaruit dat de huidige wetgever tot een andere afweging is gekomen dan de wetgever destijds. De tekst van artikel 68 Sr Pro staat daaraan niet in de weg.
(...)
3. Ne bis in idem-beginsel
De leden van de fracties van SP en GroenLinks vroegen om een reactie op de stelling van mevrouw Van Hattum in haar in paragraaf 1 van deze memorie genoemde artikel dat het recht om gevrijwaard te blijven van herhaalde vervolging voor hetzelfde feit een materieel recht is en dat inbreuk daarop derhalve in strijd is met het legaliteitsbeginsel. Graag voldoe ik aan hun verzoek.
Zoals hieronder in antwoord op een vraag van de leden van de D66-fractie uiteen wordt gezet, wordt herziening in artikel 68 Sr Pro beschouwd als een relativering van het verbod op andermaal voor hetzelfde feit vervolgen. Het gaat dan echter wel om een relativering die op grond van dat artikel is gerechtvaardigd. Van een verboden vorm van andermaal vervolgen is daarom geen sprake. Dat wordt niet anders doordat de regeling uit dit wetsvoorstel ook kan worden toegepast op vrijspraken die voor de datum van inwerkingtreding van de regeling onherroepelijk zijn geworden. Het voortzetten van de vervolging na een onherroepelijke rechterlijke uitspraak is toegestaan wanneer deze vervolging strekt tot herziening van die uitspraak. Onder verwijzing naar het in paragraaf 2 van deze memorie gegeven antwoord op een vraag van de CDA-fractie merk ik op dat niet artikel 68 Sr Pro maar de herzieningsregeling bepaalt wanneer rechterlijke uitspraken voor herziening vatbaar zijn. Als dit wetsvoorstel eenmaal wet zal zijn geworden en in werking zal zijn getreden, zal herziening ten nadele op grond van de herzieningsregeling ook mogelijk zijn in geval van vrijspraken die voor de datum van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel onherroepelijk zijn geworden. Van strijd met het legaliteitsbeginsel is geen sprake. Het materieelrechtelijk legaliteitsbeginsel als vervat in artikel 1 Sr Pro bevat het verbod om met terugwerkende kracht nieuwe strafbaarstellingen toe te passen of de straffen te verzwaren. Bovendien betreft dit wetsvoorstel een wijziging van het strafprocesrecht. Naar in paragraaf 8 van deze memorie aan de orde zal komen, wordt bij wijzigingen in het strafprocesrecht uitgegaan van onmiddellijke werking.
(...)
8. Terugwerkende kracht
(...)
De leden van de CDA-fractie gaven aan niet overtuigd te zijn dat het overgangsrecht verenigbaar is met het rechtszekerheidsbeginsel en legaliteitsbeginsel. Zij vroegen om een nadere motivering voor de keuze voor onmiddellijke werking in het licht van deze beginselen. Zij vroegen voorts of, wanneer van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel geen sprake is, het overgangsrecht op een beleidsmatige keuze zou neerkomen. Het verlenen van onmiddellijke werking aan het wetsvoorstel is in mijn ogen om de volgende redenen niet onverenigbaar met het legaliteitsbeginsel. Het wetsvoorstel betreft een wijziging van het strafprocesrecht. Bij wijzigingen in het strafprocesrecht wordt wat betreft het legaliteitsbeginsel uitgegaan van het uitgangspunt van onmiddellijke werking. Bij dergelijke wijzigingen is noch nationaal noch (naar hierboven in deze paragraaf in antwoord op een vraag van de leden van de PvdA-fractie uiteen is gezet) verdragsrechtelijk voorgeschreven dat van eerbiedigende werking moet worden uitgegaan. Dat geldt dus ook voor wijzigingen in de herzieningsregeling die immers tot het strafprocesrecht moet worden gerekend. Er is hierbij dus een beleidsmatige keuze voor onmiddellijke werking mogelijk.
Wat betreft het rechtszekerheidsbeginsel kan worden opgemerkt dat dit beginsel bij vragen betreffende de vervolgbaarheid van strafbare feiten tot op zekere hoogte kan worden afgewogen tegen andere belangen. Het beginsel heeft ook geen vaste en onveranderlijke inhoud. Het krijgt juist betekenis indien het wordt bezien in samenhang met andere beginselen en belangen. Het belang van rechtszekerheid, inhoudende dat een vrijspraak die op de datum van inwerkingtreding van het voorliggende wetsvoorstel onherroepelijk is, niet in het nadeel van de gewezen verdachte zal worden herzien, behoort bij afweging tegen het belang om, zeker bij zeer zware misdrijven, onterechte vrijspraken te kunnen herzien, niet zonder meer te prevaleren.”
(Kamerstukken I 2012/13, 32044, C, p. 3, 7, 10, 33 en 35.)
Herziening ten nadele met ‘terugwerkende kracht’ en artikel 68 Sr Pro
4.7
Uit de onder 4.6 weergegeven totstandkomingsgeschiedenis van de Wet herziening ten nadele kan het volgende worden afgeleid. In het wetgevingstraject is in eerste instantie tot uitgangspunt genomen dat de overheid gerechtvaardigde verwachtingen van burgers moet respecteren. In verband met dat rechtsstatelijke uitgangspunt werd gewezen op de algemene beginselen van een behoorlijke strafrechtspleging, waarmee strafvorderlijk overheidsoptreden in overeenstemming moet zijn. Omdat het naar Nederlands recht op dat moment nog niet mogelijk was om onherroepelijke uitspraken van de strafrechter ten nadele van de gewezen verdachte te herzien, is ten aanzien van personen die onherroepelijk zijn vrijgesproken of ontslagen van alle rechtsvervolging de verwachting gewekt dat deze uitspraak niet ten nadele van hen zou kunnen worden herzien. Om recht te doen aan het “onvoorwaardelijk recht” dat gewezen verdachten aan een onherroepelijke vrijspraak konden ontlenen om niet opnieuw met strafvorderlijk overheidsoptreden te worden geconfronteerd en om de daarmee gewekte gerechtvaardigde verwachting te beschermen, is aanvankelijk voorzien in de onder 4.6.1 genoemde bepaling van overgangsrecht (artikel II). Daarmee zou buiten twijfel worden gesteld dat niet een aanvraag zou kunnen worden gedaan tot herziening ten nadele van een uitspraak van de strafrechter die onherroepelijk is geworden voordat de Wet herziening ten nadele in werking trad. Met deze procesrechtelijke voorziening van overgangsrecht zou het hiervoor genoemde “onvoorwaardelijk recht” moeten worden beschermd. Later in het wetgevingstraject is die bepaling van overgangsrecht geschrapt. Daarmee is beoogd alsnog te voorzien in de procesrechtelijke mogelijkheid om een aanvraag tot herziening ten nadele te doen van een uitspraak van de strafrechter die onherroepelijk was geworden voordat de Wet herziening ten nadele in werking trad, ondanks de verwachting die met zo’n uitspraak was gewekt dat de gewezen verdachte voor hetzelfde feit niet opnieuw met strafvorderlijk overheidsoptreden zou (kunnen) worden geconfronteerd.
4.8.1
Op grond van artikel 4 Wet Pro algemene bepalingen heeft wetgeving in beginsel slechts verbindende kracht voor gevallen die zich na de inwerkingtreding van die wetgeving voordoen en heeft die wetgeving dus geen terugwerkende kracht. In het strafprocesrecht worden proceshandelingen daarom beheerst door het recht dat geldt ten tijde van die handelingen. Dit is anders als de wet uitdrukkelijk bepaalt dat de betreffende (nieuwe) wetgeving ook betekenis heeft voor proceshandelingen die zich hebben voorgedaan voordat die wetgeving in werking trad, of als de wet uitdrukkelijk bepaalt dat de nieuwe wetgeving niet van toepassing is op bepaalde gevallen of proceshandelingen die zich voordoen na die inwerkingtreding.
4.8.2
Zoals uit de onder 4.6 en 4.7 beschreven totstandkomingsgeschiedenis van de Wet herziening ten nadele naar voren komt, bevat die wet geen bepaling van overgangsrecht. Daarom geldt in het licht van artikel 4 Wet Pro algemene bepalingen vanaf 1 oktober 2013 het onder 4.8.1 beschreven uitgangspunt van onmiddellijke werking. Dat brengt met zich dat vanaf die datum een aanvraag tot herziening ten nadele van een einduitspraak als bedoeld in artikel 482a Sv bij de Hoge Raad kan worden ingediend. Daaraan staat op zich niet in de weg dat de einduitspraak van de rechter onherroepelijk is geworden voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet herziening ten nadele.
4.9.1
Uit de onder 4.6 en 4.7 beschreven totstandkomingsgeschiedenis kan verder worden afgeleid dat de wetgever de mogelijkheid heeft willen openen dat ook ten aanzien van een vrijspraak die onherroepelijk is geworden voor de inwerkingtreding van de Wet herziening ten nadele, een aanvraag tot herziening ten nadele kan worden gedaan, omdat het maatschappelijke belang om een “onterechte vrijspraak” te kunnen herzien, zwaarder kan wegen dan het belang van de gewezen verdachte om met rust te worden gelaten. In verband hiermee is van belang dat bij de onder 4.6.4 weergegeven tweede nota van wijziging de onder 4.6.1 weergegeven bepaling van overgangsrecht is geschrapt. In de onder 4.6.6 weergegeven memorie van antwoord is, in verband met het schrappen van die overgangsbepaling, de vraag naar de betekenis van artikel 68 Sr Pro aan de orde gekomen. Daarbij is onder meer aangenomen dat niet (de materieelrechtelijke regeling van) artikel 68 Sr Pro maar de (procesrechtelijke) herzieningsregeling bepaalt wanneer rechterlijke uitspraken voor herziening vatbaar zijn, dat herziening ten nadele niet een door artikel 68 Sr Pro verboden vorm van andermaal vervolgen is onder de nieuwe betekenis die deze bepaling met de inwerkingtreding van de Wet herziening ten nadele heeft gekregen, en dat dit niet anders wordt doordat herziening ten nadele ook zou kunnen worden gevraagd ten aanzien van vrijspraken die voor de inwerkingtreding van de Wet herziening ten nadele onherroepelijk zijn geworden. De mogelijkheid om zo’n aanvraag te doen is in de totstandkomingsgeschiedenis wel aan de beperking onderworpen dat het betreffende strafbare feit niet mag zijn verjaard (vgl. artikel 482b lid 3, aanhef en onder b, Sv).
4.9.2
Voor de beantwoording van de vraag of een aanvraag tot herziening ten nadele van een voor 1 oktober 2013 onherroepelijk geworden einduitspraak van de rechter door de Hoge Raad in behandeling kan worden genomen en gegrond kan worden verklaard, is echter ook van belang dat de reikwijdte van artikel 68 Sr Pro als gevolg van de Wet herziening ten nadele is gewijzigd. Het gaat daarbij specifiek om de – als gevolg van die wet veranderde – betekenis van de zinsnede “Behoudens de gevallen waarin rechterlijke uitspraken voor herziening vatbaar zijn”.
4.9.3
Het door artikel 68 Sr Pro omschreven vervolgingsbeletsel – dat ook is neergelegd in Europese en internationale regelgeving (vgl. HR 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM9102, rechtsoverweging 2.6 en 2.7) – hangt samen met onder meer het uitgangspunt dat de gewezen verdachte aan de onherroepelijkheid van een rechterlijke uitspraak het gerechtvaardigd vertrouwen kan ontlenen dat hij voor hetzelfde feit niet andermaal zal worden vervolgd. In de tekst van artikel 68 Sr Pro wordt hierbij een uitzondering gemaakt voor “gevallen waarin rechterlijke uitspraken voor herziening vatbaar zijn”. Tot 1 oktober 2013 voorzag het Wetboek van Strafvordering alleen in de mogelijkheid van herziening ten voordele. De in artikel 68 Sr Pro opgenomen uitzondering stelde tot die datum buiten twijfel dat een onherroepelijke uitspraak waarin iemand was veroordeeld, alleen ten gunste van die veroordeelde terzijde kon worden gesteld. Artikel 68 Sr Pro bood tot die datum dus niet de ruimte om een onherroepelijke uitspraak van de strafrechter ten nadele van de gewezen verdachte te herzien. Aan artikel 68 Sr Pro konden gewezen verdachten daarom het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen – in de onder 4.6 weergegeven totstandkomingsgeschiedenis aangeduid als een “onvoorwaardelijk recht” – dat zij niet andermaal voor het betreffende feit zouden (kunnen) worden vervolgd. Pas met de inwerkingtreding van de Wet herziening ten nadele is de betekenis van de in artikel 68 Sr Pro opgenomen uitzondering veranderd, ook al is de tekst van die bepaling niet gewijzigd. Eerst sinds 1 oktober 2013 wordt met de woorden “Behoudens de gevallen waarin rechterlijke uitspraken voor herziening vatbaar zijn” tot uitdrukking gebracht dat ook een onherroepelijke uitspraak houdende vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging kan worden aangetast, en kan in zoverre wat betreft uitspraken die op of na die datum onherroepelijk zijn geworden aan artikel 68 Sr Pro niet langer het gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend dat gewezen verdachten niet andermaal voor het betreffende feit zouden (kunnen) worden vervolgd.
4.9.4
Het vorenstaande roept de vraag op of een persoon die voor 1 oktober 2013 onherroepelijk is vrijgesproken, aan artikel 68 Sr Pro zoals dat tot die datum gold het gerechtvaardigd vertrouwen kan en mag ontlenen dat die onherroepelijke rechterlijke uitspraak niet wordt aangetast, en – in samenhang daarmee – of het in behandeling nemen en gegrond bevinden van een aanvraag tot herziening ten nadele van een voor 1 oktober 2013 onherroepelijk geworden einduitspraak van de rechter een ongerechtvaardigde inbreuk op het door artikel 68 Sr Pro gewaarborgde rechtszekerheidsbeginsel oplevert.
4.1
Het gaat bij de beantwoording van deze vragen in de kern dus om de betekenis van de rechtszekerheid die – op grond van een wettelijke regeling, waarvan de inhoudelijke strekking nadien is veranderd – kan en mag worden ontleend aan een onherroepelijke rechterlijke uitspraak. Voor het bepalen van die betekenis is mede van belang dat op grond van artikel 6 en Pro 7 EVRM alleen in uitzonderlijke omstandigheden “the principle of legal certainty” toelaat dat een onherroepelijke rechterlijke uitspraak wordt herzien. Het gaat bij artikel 6 en Pro 7 EVRM om een ieder verbindende verdragsbepalingen. De beantwoording van de hiervoor genoemde vragen over de (mogelijke) terugwerkende kracht van de op 1 oktober 2013 ingevoerde wettelijke mogelijkheid van herziening ten nadele moet daarom naar het oordeel van de Hoge Raad niet uitsluitend plaatsvinden op grond van artikel 68 Sr Pro, maar mede in het licht van artikel 6 en Pro 7 EVRM.
Artikel 6 EVRM Pro
4.11.1
Op grond van artikel 6 lid 1 EVRM Pro heeft eenieder bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld.
4.11.2
Mede in het licht van de rechtspraak van het EHRM zoals deze is weergegeven in de conclusie van de procureur-generaal onder 7.90 tot en met 7.125 moet worden aangenomen dat artikel 6 EVRM Pro van toepassing is op de procedure die leidt tot een beoordeling van een aanvraag tot herziening ten nadele, omdat die procedure kan leiden tot het bepalen van de gegrondheid van een tegen de gewezen verdachte ingestelde vervolging.
4.11.3
In EHRM 14 november 2024, nr. 63277/19 (Zakrzewski/Polen) heeft het EHRM – in een zaak over een strafverhoging die werd toegepast na een buitengewoon cassatieberoep waarin een onherroepelijke uitspraak van de strafrechter werd vernietigd – in verband met artikel 6 lid 1 EVRM Pro onder meer overwogen:
“(a) General principles deriving from the Court’s case-law
38. The Court observes that the relevant Convention principles have been summarised as follows (see Tığrak v. Turkey, no. 70306/10, § 48, 6 July 2021, referring to Brumărescu v. Romania [GC], no. 28342/95, §§ 61-62, ECHR 1999-VII, and COMPCAR, s.r.o.v. Slovakia, no. 25132/13, §§ 63-64, 9 June 2015):
“The right to a fair hearing before a tribunal as guaranteed by Article 6 § 1 of the Convention must be interpreted in the light of the Preamble to the Convention, which declares, in its relevant part, the rule of law to be part of the common heritage of the Contracting States. One of the fundamental aspects of the rule of law is the principle of legal certainty, which requires, among other things, that where the courts have finally determined an issue, their ruling should not be called into question.
- That principle does not allow a party to seek the reopening of proceedings merely for the purpose of a rehearing and a fresh decision on the case. The mere possibility of there being two views on the subject is not a ground for re-examination.
- Departures from that principle are justified only when made necessary by circumstances of a substantial and compelling character. Higher courts’ powers to quash or alter binding and enforceable judicial decisions should be exercised for the purpose of correcting fundamental defects. That power must be exercised so as to strike, to the maximum extent possible, a fair balance between the interest of an individual and the need to ensure the effectiveness of the system of justice.
- The relevant considerations to be taken into account in this connection include, in particular, the effect of the reopening and any subsequent proceedings on the applicant’s individual situation, whether the reopening resulted from the applicant’s individual situation, and whether the reopening resulted from the applicant’s own request; the grounds on which the domestic authorities overturned the judgment in the applicant’s case; the compliance of the procedure at issue with the requirements of domestic law; the existence and operation of procedural safeguards in the domestic legal system capable of preventing abuses of that procedure by the domestic authorities; and other pertinent circumstances of the case.
- In a number of cases the Court, while addressing the notion of ‘a fundamental defect’, has stressed that merely considering that the investigation in the applicant’s case was ‘incomplete and one-sided’ or led to an ‘erroneous’ acquittal cannot itself, in the absence of jurisdictional errors or serious breaches of court procedure, abuses of power, manifest errors in the application of substantive law or any other weighty reasons stemming from the interests of justice, indicate the presence of a fundamental defect in the previous proceedings.”
39. The review of a final and binding decision should not be treated as an appeal in disguise, and the principle of legal certainty may be set aside in order to ensure a correction of fundamental defects or miscarriage of justice (see, for example, Ryabykh v. Russia, no. 52854/99, § 52, ECHR 2003-IX) or to rectify “an error of fundamental importance to the judicial system”, but not for the sake of legal purism (see Sutyazhnik v. Russia, no. 8269/02, § 38, 23 July 2009).”
4.11.4
Hieruit kan worden afgeleid dat het recht op een eerlijk proces zoals dat wordt gewaarborgd door artikel 6 EVRM Pro, moet worden uitgelegd in het licht van “the rule of law” en dat een van de fundamentele aspecten daarvan “the principle of legal certainty” is. Daaruit vloeit voort dat onherroepelijke rechterlijke uitspraken in beginsel niet mogen worden herzien. Een uitzondering op dit uitgangspunt kan alleen worden aanvaard “when made necessary by circumstances of a substantial and compelling character” in gevallen waarin sprake is van “fundamental defects”, of – zo kan worden afgeleid uit onder meer EHRM 29 juli 2008, nr. 37959/02 (Xheraj/Albanië), overweging 52 – “if serious legitimate considerations outweigh the principle of legal certainty”. Telkens moet dan een “fair balance” worden verwezenlijkt tussen enerzijds de belangen van de gewezen verdachte en anderzijds de effectiviteit van “the system of justice”. Zo wordt in EHRM 24 mei 2007, nr. 65582/01 (Radchikov/Rusland) – een zaak waarin “a final judgment acquitting the applicant on all charges was re-examined and quashed by way of supervisory review at the prosecution’s request” – onder meer overwogen:
“43. Thus, the mere possibility of reopening a final judgment in a criminal case is not as such incompatible with Article 6 of the Convention, provided that the actual manner in which the reopening took place did not impair the very essence of the applicant’s right to a fair trial. In particular, the Court has to assess whether, in a given case, the power to launch and conduct a supervisory review was exercised by the authorities so as to strike, to the maximum extent possible, a fair balance between the interests of an individual and the need to ensure the effectiveness of the system of criminal justice. In other words, a review of a final and binding judgment should not be granted merely for the purpose of obtaining a rehearing and a fresh determination of the case, but rather to correct judicial errors and miscarriages of justice.
(...)
48. In the Court's view, the mere consideration that the investigation in the applicant's case was “incomplete and one-sided” or led to an “erroneous” acquittal cannot in itself, in the absence of jurisdictional errors or serious breaches of court procedure, abuses of power, manifest errors in the application of substantive law or any other weighty reasons stemming from the interests of justice (such as in the above-cited Bratyakin case), indicate the presence of a fundamental defect in the previous proceedings. Otherwise, the burden of the consequences of the investigative authorities’ lack of diligence during the pre-trial investigation would be shifted entirely onto the applicant and, more importantly, the mere allegation of a shortcoming or failure in the investigation, however minor and insignificant it might be, would create an unrestrained possibility for the prosecution to abuse process by requesting the reopening of finalised proceedings. The fear of an abuse of process is even more serious in situations where, such as in the case at issue, the prosecution authorities, having been fully aware of the alleged deficiencies in the investigation (see paragraphs 10 and 11 above) and free to request the first-instance and appeal courts to remit the case for an additional investigation at earlier stages of proceedings prior to the adoption of a final judgment in the case (see paragraphs 32 and 33 above), choose not to avail themselves of this opportunity and have recourse to an extraordinary remedy instead.”
4.11.5
Tegen deze achtergrond is herziening ten nadele van een onherroepelijke rechterlijke uitspraak onder omstandigheden niet onverenigbaar met artikel 6 EVRM Pro in gevallen waarin sprake is van “fundamental defects”. Hoewel mogelijk aan EHRM 23 juni 2026, nr. 34261 (Taleski e.a./Noord-Macedonië), in het bijzonder overweging 122, een aanwijzing zou kunnen worden ontleend dat herziening ten nadele van een rechterlijke uitspraak die onherroepelijk is geworden voordat de wettelijke regeling die herziening ten nadele mogelijk maakt, in werking trad, op gespannen voet staat met artikel 6 EVRM Pro, biedt de rechtspraak van het EHRM over artikel 6 EVRM Pro onvoldoende aanknopingspunten voor een eenduidige uitleg van het EVRM aan de hand waarvan een antwoord kan worden gegeven op de vraag hoe zo’n herziening ten nadele zich verhoudt tot artikel 6 EVRM Pro.
Artikel 7 EVRM Pro
4.12.1
Op grond van artikel 7 lid 1 EVRM Pro mag niemand worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde.
4.12.2
Ook aan artikel 7 EVRM Pro ligt het uitgangspunt van “legal certainty” ten grondslag (vgl. EHRM 22 juni 2000, nr. 32492/96 (Coëme e.a./België), overweging 146). Deze verdragsbepaling beoogt “to provide effective safeguards against arbitrary prosecution, conviction and punishment” (EHRM 21 oktober 2013, nr. 42750/09 (Del Río Prada/Spanje), overweging 77). In EHRM 17 september 2009, nr. 10249/03 (Scoppola/Italië, nr. 2) heeft het EHRM over het in artikel 7 EVRM Pro vervatte verbod van terugwerkende kracht onder meer overwogen:
“110. The Court reiterates that the rules on retrospectiveness set out in Article 7 of the Convention apply only to provisions defining offences and the penalties for them; on the other hand, in other cases, the Court has held that it is reasonable for domestic courts to apply the
tempus regit actumprinciple with regard to procedural laws (...).”
4.12.3
Het doen van een aanvraag tot herziening ten nadele op grond van artikel 482a Sv is als zodanig een strafvorderlijke proceshandeling. De beoordeling van zo’n aanvraag gebeurt mede op basis van de materieelstrafrechtelijke regels over het verval van het vervolgingsrecht. In dit verband is onder meer artikel 68 Sr Pro van belang, zoals onder 4.9 is besproken. Het uitgangspunt van “legal certainty” is ook aan de orde in onder meer het geval waarin het recht tot strafvordering is verjaard (vgl. artikel 70 tot Pro en met 73 Sr). In de onder 4.6.4 weergegeven tweede nota van wijziging is hierover opgemerkt dat geen herziening ten nadele mogelijk is bij strafbare feiten die zijn verjaard (vgl. artikel 482b lid 3, aanhef en onder b, Sv). In EHRM 22 april 2025, nr. 27231/19 (Van der Zwan/Nederland), overweging 10, heeft het EHRM overwogen dat artikel 7 EVRM Pro “precludes the revival of a prosecution in respect of an offence that has become time-barred”. Verder heeft het EHRM in EHRM 18 juni 2020, nr. 7523/10 (Antia and Khupenia/Georgië), onder meer overwogen:
“39. Limitation may be defined as the statutory right of an offender not to be prosecuted or tried after the lapse of a certain period of time since the offence was committed. Limitation periods are a common feature of the domestic legal systems of the Contracting States and serve several purposes, including that of ensuring legal certainty (see Coëme and Others v. Belgium, nos. 32492/96 and 4 others, § 146, ECHR 2000-VII). In this context, the main question before the Court, subject to its power of review under Article 7 of the Convention (see paragraph 36 above), is whether there was a valid legal basis for the applicants’ conviction in view of the expiry of the statute of limitations in respect of the relevant offence.”
4.12.4
Uit de hierboven weergegeven rechtspraak en uit de overige rechtspraak van het EHRM zoals deze is weergegeven in de conclusie van de procureur-generaal onder 7.49 tot en met 7.80 kan worden afgeleid dat het EHRM echter nog niet de vraag heeft beantwoord of artikel 7 EVRM Pro herziening ten nadele van de gewezen verdachte toelaat van een onherroepelijke uitspraak als die uitspraak onherroepelijk is geworden voordat de wettelijke regeling die herziening ten nadele mogelijk maakt, in werking trad. De rechtspraak van het EHRM wijst ook niet eenduidig in de richting van een bevestigende of een ontkennende beantwoording van die vraag.
Artikel 4 Zevende Pro Protocol bij het EVRM
4.13.1
Artikel 4 Zevende Pro Protocol bij het EVRM houdt in dat niemand opnieuw wordt berecht of gestraft in een strafrechtelijke procedure binnen de rechtsmacht van dezelfde Staat voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld overeenkomstig de wet en het strafprocesrecht van die Staat, maar dat dit niet de heropening van de zaak overeenkomstig de wet en het strafprocesrecht van de betrokken Staat belet als er aanwijzingen zijn van nieuwe of pas aan het licht gekomen feiten, of als sprake was van een fundamenteel gebrek in het vorige proces, die de uitkomst van de zaak zouden of zou kunnen beïnvloeden. Het Zevende Protocol bij het EVRM is door Nederland niet geratificeerd. Daarom heeft artikel 4 van Pro dat Protocol in Nederland geen gelding.
4.13.2
In EHRM 12 maart 2019, nr. 52538/09 (Taşdemir e.a./Turkije) heeft het EHRM over artikel 4 Zevende Pro Protocol bij het EVRM – mede in samenhang met artikel 7 EVRM Pro – onder meer overwogen:
“14. The Court accepts that there may be situations where it is
de jureor
de factoimpossible to reopen criminal investigations into the incidents giving rise to the applications being examined by the Court. Such situations may arise, for example, in cases in which the alleged perpetrators were acquitted and cannot be put on trial for the same offence, or in cases in which the criminal proceedings became time-barred on account of the statute of limitations set out in the national legislation. Indeed, a reopening of criminal proceedings that were terminated on account of the expiry of the statute of limitations may raise issues concerning legal certainty (see Coëme and Others v. Belgium, nos. 32492/96 and 4 others, § 145, ECHR 2000-VII) and may thus have a bearing on a defendant’s rights under Article 7 of the Convention (see, mutatis mutandis, Kononov v. Latvia [GC], no. 36376/04, §§ 228-33, ECHR 2010). In a similar vein, putting the same defendant on trial for an offence for which he or she has already been finally acquitted or convicted may raise issues concerning that defendant’s right not to be tried or punished twice within the meaning of Article 4 of Protocol No. 7 to the Convention (see Marguš v. Croatia [GC], no. 4455/10, § 114, ECHR 2014 (extracts)).”
4.13.3
Hoewel mogelijk aan deze uitspraak van het EHRM een aanwijzing zou kunnen worden ontleend dat herziening ten nadele van een rechterlijke uitspraak die onherroepelijk is geworden voordat de wettelijke regeling die herziening ten nadele mogelijk maakt, in werking trad, op gespannen voet staat met artikel 4 Zevende Pro Protocol EVRM en daarmee wellicht ook artikel 7 EVRM Pro, biedt de rechtspraak van het EHRM over artikel 7 EVRM Pro en artikel 4 Zevende Pro Protocol bij het EVRM onvoldoende aanknopingspunten voor een eenduidige uitleg van het EVRM aan de hand waarvan een antwoord kan worden gegeven op de vraag hoe zo’n herziening ten nadele zich verhoudt tot artikel 7 EVRM Pro.
Overige punten van aandacht
4.14
In de conclusie van de procureur-generaal onder 7.16 tot en met 7.22 komt naar voren dat herziening ten nadele van een rechterlijke uitspraak die onherroepelijk is geworden voordat een regeling in werking trad die herziening ten nadele mogelijk maakt, in bepaalde landen wel, maar in andere landen niet mogelijk wordt geacht. Verder kan uit de conclusie van de procureur-generaal onder 7.30 tot en met 7.46 worden afgeleid dat in de Nederlandse rechtsgeleerde literatuur discussie bestaat over de vraag of in zo’n geval in Nederland een onherroepelijke rechterlijke uitspraak kan worden herzien ten nadele van de gewezen verdachte.
Verzoek om een advisory opinion
4.15
Zoals onder 4.11.5 en 4.12.4 naar voren kwam, heeft het EHRM nog niet geoordeeld over
de vraag of artikel 6 en Pro/of 7 EVRM toelaten (en, zo ja, onder welke voorwaarden) dat een regeling die herziening ten nadele mogelijk maakt – zoals de Wet herziening ten nadele – wordt toegepast in een geval waarin de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd al onherroepelijk was geworden voordat de regeling in werking trad. Het antwoord op die principiële vraag is – mede in het licht van wat onder 4.14 is overwogen – van groot belang voor de uitkomst van de voorliggende zaak. Op grond van artikel 1 van Pro het Zestiende Protocol bij het EVRM verzoekt de Hoge Raad daarom het EHRM advies uit te brengen over deze (principiële) vraag inzake de uitlegging of toepassing van artikel 6 en Pro 7 EVRM.

5.Beslissing

De Hoge Raad houdt iedere verdere beslissing aan totdat het Europees hof voor de rechten van de mens naar aanleiding van het onder 4.15 omschreven verzoek een “advisory opinion” zal hebben gegeven.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers, als voorzitter, de vice-president V. van den Brink en de raadsheren C. Caminada, T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
30 juni 2026.