ECLI:NL:HR:2026:1005
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt beperkte reikwijdte van psychische mishandeling onder artikel 300 Sr
In deze zaak stond de vraag centraal of psychische mishandeling zelfstandig valt onder de strafbaarstelling van artikel 300 lid 4 van Pro het Wetboek van Strafrecht. De verdachte, een moeder, werd deels vrijgesproken door het hof voor gedragingen als het langdurig op een krukje zetten van haar kind, het alleen in een auto achterlaten en het kleinerend toespreken. Het OM stelde cassatieberoep in tegen deze vrijspraak.
De Hoge Raad herhaalde de relevante wetsgeschiedenis en jurisprudentie, waarin mishandeling wordt omschreven als het opzettelijk toebrengen van lichamelijk letsel of pijn, het benadelen van de gezondheid, of het veroorzaken van hevige onlust aan het lichaam. Psychisch leed kan onder omstandigheden deel uitmaken van deze onlust, maar vereist een inwerking op het lichaam van het slachtoffer. Louter psychisch leed zonder lichamelijke inwerking valt niet onder artikel 300 Sr Pro.
Het hof had onvoldoende gemotiveerd waarom het afweek van het OM-standpunt dat de genoemde gedragingen psychische mishandeling opleveren. Dit was een schending van artikel 359 lid 2 Sv Pro. Echter, de Hoge Raad oordeelde dat het standpunt van het OM dat psychische mishandeling zelfstandig strafbaar is onder artikel 300 lid 4 Sr Pro geen steun vindt in het recht. Het hof had het OM-standpunt dus slechts kunnen verwerpen.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de beperkte reikwijdte van artikel 300 Sr Pro ten aanzien van psychische mishandeling. De zaak werd terugverwezen voor hernieuwde beoordeling door het hof. De uitspraak benadrukt dat uitbreiding van de strafbaarstelling van psychische mishandeling een taak is voor de wetgever, mede gelet op internationale verplichtingen en rechtspolitieke overwegingen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat psychische mishandeling zonder lichamelijke inwerking niet onder artikel 300 Sr valt.