Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Ambtshalve beoordeling van de beschikking van de rechtbank
3.Beslissing
24 juni 2025.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak betrof het een klaagschrift van klaagster tegen de inbeslagneming van een partij voorwerpen, te weten 344 kg bruto Fragrances, onder verdenking van valsheid in geschrift, voorbereiding van handel in schadelijke waren en/of overtreding van de Warenwet.
De rechtbank Oost-Brabant had het klaagschrift ongegrond verklaard. De Hoge Raad heeft ambtshalve onderzocht dat de inbeslaggenomen voorwerpen reeds in november 2021 waren vernietigd met een machtiging van de officier van justitie, waardoor het beslag op dat moment reeds was beëindigd.
Op grond van artikel 134 lid 2 sub c Sv Pro is het beslag beëindigd door de machtiging tot vernietiging en het feit dat het voorwerp niet om baat is vervreemd. Hierdoor had de rechtbank het klaagschrift niet-ontvankelijk moeten verklaren. De Hoge Raad vernietigt daarom het vonnis van de rechtbank en verklaart het klaagschrift alsnog niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het klaagschrift wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het beslag al was beëindigd.