Uitspraak
1.Procesverloop
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
6 juni 2025.
Hoge Raad
In deze zaak heeft [eiseres] Holding B.V. cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag van 2 april 2024, waarin een geschil speelde over de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid op grond van artikel 3:61 lid 2 BW Pro. De Hoge Raad verwijst voor het geding in feitelijke instanties naar eerdere vonnissen van de rechtbank Den Haag en het arrest van het hof.
De Hoge Raad heeft de klachten van eiseres over het arrest van het hof beoordeeld en geoordeeld dat deze klachten niet leiden tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad motiveert dit niet, omdat het beantwoorden van de vragen niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en veroordeelt eiseres in de kosten van het geding in cassatie, begroot op € 8.206 aan verschotten en € 2.200 aan salaris, vermeerderd met wettelijke rente indien niet binnen veertien dagen voldaan.
Het arrest is gewezen door de raadsheren Wattendorff (voorzitter), Lock en Teuben en in het openbaar uitgesproken door ter Heide op 6 juni 2025.
Uitkomst: Het cassatieberoep van eiseres wordt verworpen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten.