Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het vijfde cassatiemiddel
3.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
4.Beslissing
3 juni 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake medeplegen van het opzettelijk onjuist en/of onvolledig doen van aangiften omzetbelasting en het medeplegen van het opzettelijk in valse vorm boeken voor raadpleging.
De verdachte werd door het hof veroordeeld tot een geldboete van €400.000, waarvan €150.000 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest, maar alleen wat betreft de hoogte van de geldboete, met vermindering daarvan volgens de gebruikelijke maatstaf.
De Hoge Raad oordeelde dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden doordat het hof de stukken te laat had ingezonden, wat een vermindering van de geldboete rechtvaardigt. De boete werd verminderd met €5.000 tot een totaal van €395.000, waarvan €150.000 voorwaardelijk. De overige klachten van het cassatieberoep werden verworpen zonder nadere motivering.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren, en de beslissing werd in een openbare terechtzitting uitgesproken op 3 juni 2025.
Uitkomst: De geldboete wordt verminderd tot €395.000 vanwege overschrijding van de redelijke termijn, het cassatieberoep wordt verder verworpen.