ECLI:NL:HR:2025:809

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 juni 2025
Publicatiedatum
22 mei 2025
Zaaknummer
21/04019
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 69.2 AWRArt. 68.1.c AWRArt. 6 lid 1 EVRMArt. 359.2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering geldboete wegens overschrijding redelijke termijn in medeplegen omzetbelastingzaak

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake medeplegen van het opzettelijk onjuist en/of onvolledig doen van aangiften omzetbelasting en het medeplegen van het opzettelijk in valse vorm boeken voor raadpleging.

De verdachte werd door het hof veroordeeld tot een geldboete van €400.000, waarvan €150.000 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest, maar alleen wat betreft de hoogte van de geldboete, met vermindering daarvan volgens de gebruikelijke maatstaf.

De Hoge Raad oordeelde dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden doordat het hof de stukken te laat had ingezonden, wat een vermindering van de geldboete rechtvaardigt. De boete werd verminderd met €5.000 tot een totaal van €395.000, waarvan €150.000 voorwaardelijk. De overige klachten van het cassatieberoep werden verworpen zonder nadere motivering.

De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren, en de beslissing werd in een openbare terechtzitting uitgesproken op 3 juni 2025.

Uitkomst: De geldboete wordt verminderd tot €395.000 vanwege overschrijding van de redelijke termijn, het cassatieberoep wordt verder verworpen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/04019
Datum3 juni 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 september 2021, nummer 21-005115-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat R. Zilver bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.

2.Beoordeling van het vijfde cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
2.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde geldboete van € 400.000, waarvan € 150.000 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. In de omstandigheid dat de Hoge Raad pas uitspraak doet nadat meer dan 36 maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, vindt de Hoge Raad aanleiding de opgelegde geldboete te verminderen met € 5.000.

3.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete;
- vermindert de geldboete in die zin dat deze € 395.000, waarvan € 150.000 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren bedraagt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
3 juni 2025.