ECLI:NL:HR:2025:750

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 mei 2025
Publicatiedatum
15 mei 2025
Zaaknummer
23/03709
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 326 SrArt. 420quater SrArt. 36f SrArt. 6:4:20 SvArt. 57 Sr
Verwijzingen
13 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf en correctie duur gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel

De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld voor medeplegen van oplichting en schuldwitwassen van horloges. Tegen dit arrest stelde de verdachte cassatieberoep in. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest uitsluitend voor de duur van de gijzeling verbonden aan de schadevergoedingsmaatregel en de gevangenisstraf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Hoge Raad oordeelde dat de door het hof opgelegde gijzelingstermijn van 365 dagen in strijd is met het wettelijk maximum van één jaar, dat gelijkgesteld wordt aan 360 dagen. Daarom werd de gijzelingstermijn verminderd tot 360 dagen. Tevens werd de redelijke termijn overschreden doordat stukken te laat werden ingezonden, wat leidde tot vermindering van de gevangenisstraf tot zeventien maanden en twee weken, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

De overige klachten van de verdachte werden door de Hoge Raad verworpen zonder nadere motivering, omdat deze niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor de duur van de gijzeling en gevangenisstraf en stelde de nieuwe termijnen vast.

Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd tot zeventien maanden en twee weken en de gijzelingstermijn vastgesteld op 360 dagen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/03709
Datum20 mei 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 20 september 2023, nummer 22-000913-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de gijzeling die is verbonden aan de ten behoeve van [slachtoffer] opgelegde schadevergoedingsmaatregel en de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot bepaling dat ten behoeve van deze schadevergoedingsmaatregel gijzeling van 360 dagen kan worden toegepast, tot vermindering van de duur van de gevangenisstraf aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het derde cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat met betrekking tot een van de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen de duur van de gijzeling is bepaald op 365 dagen.
2.2
Het hof heeft de verdachte de verplichting opgelegd, kort gezegd, om aan de Staat ten behoeve van het in het arrest genoemde [slachtoffer] het in het arrest vermelde bedrag te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 365 dagen gijzeling.
2.3
Op grond van artikel 36f lid 5 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bepaalt de rechter bij de oplegging van de maatregel de duur volgens welke met toepassing van artikel 6:4:20 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) gijzeling kan worden toegepast. De duur van de gijzeling beloopt – ook in gevallen van samenloop als bedoeld in artikel 57 en Pro 58 Sr (vgl. artikel 60a Sr) – ten hoogste één jaar, waarbij in deze zaak geldt dat onder één jaar 360 dagen moet worden verstaan (vgl. HR 24 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:714).
2.4
Het cassatiemiddel slaagt. De Hoge Raad zal de uitspraak van het hof vernietigen en zelf de duur van de gijzeling verminderen in die zin dat is voldaan aan het wettelijk bepaalde maximum van één jaar.

3.Beoordeling van het vierde cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

4.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

5.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en de duur van de gijzeling die is verbonden aan de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het [slachtoffer] ;
- vermindert de gevangenisstraf in die zin dat deze zeventien maanden en twee weken, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren beloopt;
- bepaalt dat voor zover het hof ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het [slachtoffer] met toepassing van artikel 6:4:20 Sv Pro de gijzeling op 365 dagen heeft bepaald, moet worden uitgegaan van een gijzeling voor de duur van 360 dagen;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
20 mei 2025.