ECLI:NL:HR:2025:618
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verwijst zaak over samenhangende waardering van vermogensbestanddelen terug voor nadere beoordeling
In deze zaak gaat het om een cassatieprocedure tussen [X] B.V. en de Staatssecretaris van Financiën over de aanslag vennootschapsbelasting 2013 en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.
Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris hadden beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant. De Advocaat-Generaal concludeerde tot gegrondverklaring van het beroep van de Staatssecretaris en ongegrondverklaring van dat van belanghebbende.
De Hoge Raad sluit zich aan bij de conclusie van de Advocaat-Generaal en vernietigt het vonnis van de Rechtbank. De zaak wordt verwezen naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling, met name voor beoordeling van de samenhangende waardering van twee USD-schulden en Braziliaanse vorderingen.
Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door de vice-president en vier raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2025.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard, dat van de Staatssecretaris gegrond en de zaak wordt verwezen voor nadere beoordeling.