Uitspraak
1.Geding in cassatie
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft ook incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
Hoge Raad
Belanghebbende heeft in cassatie beroep ingesteld tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 27 juli 2023, waarin het hof het hoger beroep van belanghebbende tegen een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen heeft behandeld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel beroep ingesteld, dat later is ingetrokken nadat belanghebbende een zienswijze had ingediend. De Hoge Raad heeft de klacht van belanghebbende beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leidt tot vernietiging van de hofuitspraak. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de klacht nader te motiveren omdat deze niet van belang is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Ten aanzien van de proceskosten heeft de Hoge Raad geen veroordeling opgelegd aan belanghebbende voor het principale beroep, maar heeft de Staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de kosten die belanghebbende in cassatie heeft moeten maken, vastgesteld op € 1.814 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
De uitspraak is gedaan door de vice-president van de Hoge Raad, M.E. van Hilten, als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, en is op 11 april 2025 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de Staatssecretaris van Financiën wordt veroordeeld in de proceskosten.