Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het tweede en het derde cassatiemiddel
3.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
4.Beslissing
25 maart 2025.
Hoge Raad
In deze cassatieprocedure betrof het een strafzaak over witwassen waarbij het hof een gevangenisstraf van twee weken oplegde, waarvan één week voorwaardelijk. Het hof had geoordeeld dat een taakstraf niet kon worden opgelegd vanwege het taakstrafverbod in artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht, gebaseerd op een eerdere taakstrafveroordeling van de verdachte.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onjuist heeft geoordeeld dat het taakstrafverbod van toepassing was. De eerdere taakstrafveroordeling viel buiten de vijfjaarsperiode voorafgaand aan het bewezenverklaarde feit, omdat deze taakstraf na het plegen van het onderhavige feit was opgelegd. Hierdoor was het taakstrafverbod niet van toepassing.
Verder heeft het hof onvoldoende gemotiveerd waarom het geen taakstraf oplegde, zodat de strafoplegging niet kan blijven staan. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof voor zover het de strafoplegging betreft, behoudens de opgelegde schadevergoedingsmaatregel, en wijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beslissing over de straf.
Het beroep wordt voor het overige verworpen. De uitspraak werd gedaan op 25 maart 2025 door de strafkamer van de Hoge Raad onder voorzitterschap van vice-president M.J. Borgers en raadsheren M. Kuijer en C. Caminada.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof voor wat betreft de strafoplegging en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting.