Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Uitgangspunten in cassatie
3.De beoordeling van het middel
(…)
1°. de belastingplichtige, of een met hem verbonden lichaam;
2°. het lichaam dat of de persoon die de onderneming geheel of gedeeltelijk voortzet, of een met dat lichaam verbonden lichaam;
1°. geheel is gestaakt, dan wel
2°. geheel of gedeeltelijk is voortgezet uitsluitend door een ander dan de belastingplichtige of een met hem verbonden lichaam;
(…)”
Een van die voorwaarden, vermeld onder letter a, houdt – voor zover hier van belang – in dat “geen recht geldt op enigerlei tegemoetkoming bij de belastingheffing ter zake van verliezen die bij het ontbonden lichaam onverrekend zijn gebleven voor (…) de belastingplichtige, of een met hem verbonden lichaam” (hierna: de niet-tegemoetkomingseis). De tekst van artikel 13d, lid 9, letter a, van de Wet maakt niet duidelijk of het voldoen aan de niet-tegemoetkomingseis moet worden beoordeeld naar het tijdstip waarop de vereffening van het ontbonden lichaam is voltooid, of dat de niet-tegemoetkomingseis geldt voor alle verliezen die het ontbonden lichaam gedurende zijn gehele bestaansduur heeft geleden.
Deze benadering van de niet-tegemoetkomingseis volgt onmiskenbaar uit de hiervoor bedoelde wetsgeschiedenis. Zij brengt mee dat de toetsing aan deze eis moet worden uitgevoerd naar de feiten en omstandigheden op het tijdstip waarop het liquidatieverlies op zijn vroegst in aanmerking wordt genomen, dat wil zeggen wanneer de vereffening van het ontbonden lichaam is voltooid. Dit tijdstip van toetsing past bij de systematiek van de liquidatieverliesregeling, die in algemene zin aanknoopt bij de toestand op het moment waarop vaststaat dat de mogelijkheid van verliesverrekening bij het ontbonden lichaam definitief verloren is gegaan. De tekst van artikel 13d, lid 9, van de Wet verzet zich ook niet tegen deze uitleg. [6]
Om dezelfde reden faalt ook de tweede klacht van het middel, die bepleit dat onder "enigerlei tegemoetkoming” mede de tegemoetkomingen vallen die zijn verkregen of hadden kunnen worden verkregen door toepassing van de hiervoor in 2.3 bedoelde Ierse group-reliefregeling voorafgaand aan het moment van liquidatie van de dochtervennootschap. Blijkens de wetsgeschiedenis heeft de wetgever daarop niet het oog gehad. Een dergelijke ruime opvatting van “enigerlei tegemoetkoming” strookt ook niet met doel en strekking van de liquidatieverliesregeling als faciliteit voor verliezen die als gevolg van de liquidatie van de dochtervennootschap definitief onverrekend blijven. Zoals hiervoor in 3.2.4 weergegeven, strekt de niet-tegemoetkomingseis alleen ertoe het tijdstip van het definitief onverrekend blijven van verliezen nader te bepalen.