Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Uitgangspunten in cassatie
3.Procedure voor het Hof
4.Beoordeling van het middel
.
Hoge Raad
Belanghebbende had voor het jaar 2020 een rendementsgrondslag in box 3 opgegeven die bestond uit bank- en spaartegoeden en een lening aan zijn zoon. De Inspecteur stelde de aanslag vast op basis van een forfaitair rendement volgens artikel 5.2 Wet IB 2001 en wees bezwaar af, mede vanwege het Besluit rechtsherstel box 3 en de Wet rechtsherstel box 3.
Het Hof Den Haag oordeelde dat belanghebbende compensatie toekomt op basis van het werkelijk behaalde rendement, waarbij alleen direct gerealiseerde vermogensopbrengsten in aanmerking werden genomen. De Hoge Raad stelde dat het Hof het begrip werkelijk rendement te beperkt had uitgelegd door ongerealiseerde waardemutaties buiten beschouwing te laten.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling met inachtneming van het arrest. De Hoge Raad wijst erop dat het aan de wetgever is om het rechtstekort te herstellen, maar dat het Hof een te beperkte uitleg gaf aan het werkelijk rendement. De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling met inachtneming van het arrest.