ECLI:NL:HR:2025:378

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 maart 2025
Publicatiedatum
13 maart 2025
Zaaknummer
24/01546
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.14 Wet IB 2001Art. 3.119a Wet IB 2001Art. 10bis.1 Wet IB 2001Art. 10bis.9 Wet IB 2001
Verwijzingen
6 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring cassatie tegen navorderingsaanslag eigenwoningschuld 2016

Belanghebbende had in 2016 een aflossingsvrije hypothecaire lening die op 31 december 2012 deel uitmaakte van zijn eigenwoningschuld. In zijn aangifte gaf hij deze lening aan als schuld in box 3, wat tot een lagere aanslag leidde. De Inspecteur legde echter een navorderingsaanslag op waarbij de lening werd aangemerkt als eigenwoningschuld in box 1, gebaseerd op het overgangsrecht van artikel 10bis.1 Wet IB 2001.

De Rechtbank Den Haag oordeelde dat de lening terecht als eigenwoningschuld moest worden aangemerkt omdat deze vóór 2013 was aangegaan en het overgangsrecht van toepassing was. Belanghebbende stelde in cassatie dat de rangorderegeling en het overgangsrecht onjuist waren toegepast en dat sprake was van discriminatie in strijd met EVRM en IVBPR.

De Hoge Raad verwierp deze gronden en bevestigde dat de fiscale wetgever ruime beoordelingsvrijheid heeft om het overgangsrecht te beperken tot op 31 december 2012 bestaande eigenwoningschulden. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de navorderingsaanslag wordt bevestigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer24/01546
Datum14 maart 2025
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 6 maart 2024, nrs. SGR 22/7971 en SGR 22/7977 [1] , betreffende een aan belanghebbende over het jaar 2016 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, de daarbij gegeven boetebeschikking en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door S.F. van Immerseel en L.E.F. Pietersen, heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal M.R.T. Pauwels heeft op 20 december 2024 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie. [2]
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Uitgangspunten in cassatie

2.1
De eigen woning van belanghebbende was in 2016 gefinancierd met een aflossingsvrije hypothecaire lening die op 31 december 2012 deel uitmaakte van belanghebbendes eigenwoningschuld, als bedoeld in artikel 3.119a, lid 1, Wet IB 2001 (hierna: de lening).
2.2
Belanghebbende heeft de lening in zijn aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2016 aangemerkt als schuld in box 3. In zijn geval zou dat tot een lagere aanslag leiden dan wanneer de lening zou zijn aangemerkt als eigenwoningschuld in box 1.
2.3
De Inspecteur heeft de aanslag IB/PVV voor het jaar 2016 opgelegd overeenkomstig de aangifte. De Inspecteur heeft vervolgens een navorderingsaanslag over het jaar 2016 opgelegd. Daarbij is de lening in aanmerking genomen als eigenwoningschuld in box 1 in plaats van als schuld in box 3. De inspecteur heeft zich hierbij gebaseerd op het overgangsrecht van artikel 10bis.1 Wet IB 2001.
2.4
Voor de Rechtbank was onder meer in geschil of de lening terecht is aangemerkt als een eigenwoningschuld in box 1. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de lening is aangegaan in verband met de verwerving van de eigen woning vóór het jaar 2013. Dit brengt mee dat de lening op grond van artikel 3.119a Wet IB 2001, in samenhang gelezen met artikel 10bis.9, lid 1, Wet IB 2001, en artikel 10bis.1, lid 1, Wet IB 2001 moet worden aangemerkt als eigenwoningschuld, aldus de Rechtbank.

3.Beoordeling van het middel

3.1
Voor zover het middel betoogt dat de Rechtbank met haar hiervoor in 2.4 weergegeven oordeel een onjuiste toepassing heeft gegeven aan de rangorderegeling van artikel 2.14 Wet IB 2001 en het overgangsrecht zoals opgenomen in artikel 10bis.1 Wet IB 2001, faalt het om de redenen die zijn vermeld in de onderdelen 5.11, 5.12, 5.17 en 5.18 van de conclusie van de Advocaat-Generaal, waarin de lening is aangeduid als Lening 2.
3.2
Voor zover het middel heeft bedoeld een beroep te doen op schending van de in het EVRM en het IVBPR neergelegde discriminatieverboden omdat belastingplichtigen met een na 1 januari 2013 afgesloten lening wel de mogelijkheid hebben om hun lening ‘te herkwalificeren’, faalt het eveneens. De ruime beoordelingsvrijheid voor de fiscale wetgever is niet overschreden met diens keuze om de voorgeschreven toepassing van het regime voor eigenwoningschulden dat gold op 31 december 2012, te beperken tot op die datum bestaande eigenwoningschulden.

4.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.T. Boerlage als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2025.