Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
19 december 2025.
Hoge Raad
Betrokkene werd in oktober 2022 aangehouden op verzoek van de VS en werd in juli 2024 uitgeleverd wegens verdenking van moord. Hij vorderde in kort geding te verbieden dat hij zou worden uitgeleverd zolang er geen bindende garanties waren dat zijn detentieomstandigheden niet in strijd zouden zijn met art. 2 en Pro 3 EVRM. De voorzieningenrechter en het hof wezen deze vorderingen af, waarbij het hof oordeelde dat de VS concrete garanties hadden gegeven over voldoende leefruimte en detentieomstandigheden die niet onmenselijk of vernederend zijn.
Betrokkene stelde in cassatie dat het hof ten onrechte de garanties als bindend had aangemerkt en onvoldoende had onderzocht of deze door bevoegde autoriteiten waren gegeven en hoe deze in de praktijk zouden worden nageleefd. Tevens bracht hij nieuwe feiten naar voren over zijn detentie na uitlevering, maar de Hoge Raad oordeelde dat op grond van art. 419 lid 2 Rv Pro feiten na het bestreden arrest niet in cassatie mogen worden betrokken.
De Hoge Raad bevestigde dat art. 3 EVRM Pro een absoluut recht is en dat art. 13 EVRM Pro recht geeft op een effectief rechtsmiddel, maar dat dit niet betekent dat de cassatierechter buiten de bestreden uitspraak mag treden. Betrokkene kan andere procedures starten om nieuwe feiten aan te vechten. Het cassatieberoep werd verworpen en betrokkene werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de uitlevering aan de VS bevestigd.