Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
16 december 2025.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 16 december 2025 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 17 augustus 2023. De verdachte, geboren in 1972, was betrokken bij voorbereidingshandelingen voor grootschalige hennepteelt, wat onder de Opiumwet valt. De verdediging stelde dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard, omdat de administratie van de vennootschap waarvan de verdachte bestuurder was, was vernietigd. Daarnaast werd er een bewijsklacht ingediend over de vraag of de verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat de betrokken stoffen en voorwerpen bestemd waren voor strafbare feiten onder de Opiumwet.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige concludeerde tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar alleen wat betreft de duur van de opgelegde taakstraf. De Hoge Raad heeft de klachten van de verdachte beoordeeld en geconcludeerd dat deze niet konden leiden tot vernietiging van de uitspraak van het hof. De Hoge Raad heeft daarbij geen motivering hoeven geven, omdat de vragen die aan de orde waren niet van belang waren voor de ontwikkeling van het recht.
Bij de ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof kwam de Hoge Raad tot de conclusie dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep was overschreden. Dit leidde tot een vermindering van de opgelegde taakstraf van 100 uren naar 95 uren, met een vervangende hechtenis van 47 dagen. De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van het hof, maar verwerpt het beroep voor het overige.