Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
28 november 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil tussen twee buren over het gebruik van een mandelige zaak en de daaraan verbonden dwangsom. In eerdere procedures stelde eiser vorderingen, waaronder het beperken van het gebruik van de mandelige zaak door de wederpartij en het opleggen van een dwangsom bij overtreding.
De rechtbank had in een tussenvonnis deze vorderingen toegewezen en een dwangsom vastgesteld, maar in het eindvonnis werden deze vorderingen onterecht afgewezen. De rechtbank heeft dit later in een herstelvonnis gecorrigeerd, maar de wederpartij stelde dat dit herstel buiten het toepassingsgebied van artikel 31 Rv Pro viel.
Het hof vernietigde het herstelvonnis en wees de vordering tot herstel af, stellende dat geen sprake was van een kennelijke fout die eenvoudig kon worden hersteld. De Hoge Raad oordeelt anders: de afwijzing in het eindvonnis was een kennelijke fout die zich voor herstel leent. Het hoger beroep van de wederpartij wordt verworpen, en het arrest van het hof wordt vernietigd.
De Hoge Raad benadrukt dat de rechtbank een bindende eindbeslissing had gegeven in het tussenvonnis die niet in het eindvonnis is gevolgd, zonder motivering van terugkomen daarop. De Hoge Raad veroordeelt de wederpartij tevens in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het hoger beroep en bevestigt dat het herstelvonnis terecht was wegens een kennelijke fout in het eindvonnis.