Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Uitgangspunten in cassatie
3.De oordelen van het Hof
4.Beoordeling van het middel
.
Hoge Raad
In deze zaak gaat het om een beroep in cassatie van belanghebbenden, vertegenwoordigd door B.L. Adams, tegen de Staatssecretaris van Financiën. De Hoge Raad behandelt de vraag of belanghebbenden een woning hebben verkregen in de zin van artikel 14, lid 2, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (Wet BRV), waardoor het lagere tarief van 2 procent voor de overdrachtsbelasting van toepassing zou zijn. De zaak betreft een onroerende zaak die in 2018 door een projectontwikkelaar is gekocht en later kadastraal is gesplitst in verschillende kavels. Belanghebbenden hebben kavel 1 verworven en een aannemingsovereenkomst gesloten voor de bouw van een nieuwe woning. Ze hebben een bedrag van € 15.693 aan overdrachtsbelasting voldaan naar een tarief van 6 procent, maar stellen dat zij recht hebben op het lagere tarief van 2 procent omdat zij een woning hebben verkregen.
Het Hof oordeelde dat belanghebbenden geen woning in de zin van de Wet BRV hadden verkregen, omdat het deel van de woning dat zich binnen de kadastrale eigendomsgrens van kavel 1 bevond, niet voor bewoning bestemd of geschikt was. De Hoge Raad oordeelt echter dat het Hof een onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd. De Hoge Raad concludeert dat belanghebbenden door de verkrijging van kavel 1 een onverdeeld aandeel in de woning hebben verkregen, waardoor het lagere tarief van 2 procent van toepassing is. De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof en de Rechtbank en bepaalt dat aan belanghebbenden een teruggave van € 10.462 aan overdrachtsbelasting moet worden verleend. Tevens worden de proceskosten vergoed.