Belanghebbende, een B.V., stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam over teruggaaf van omzetbelasting. De Hoge Raad heeft de klachten van belanghebbende beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest.
Daarnaast verzocht belanghebbende om vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure. De Hoge Raad constateerde een termijnoverschrijding van minder dan zes maanden sinds het instellen van het cassatieberoep op 28 juli 2023.
Gezien het financiële belang van meer dan €1.000 in de procedure, werd een vergoeding van €500 toegekend. De Hoge Raad veroordeelde tevens de Staat in de proceskosten voor het cassatiegeding, vastgesteld op €227 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 28 november 2025. De Hoge Raad motiveerde niet uitvoerig omdat beantwoording van de klachten niet noodzakelijk was voor de rechtsontwikkeling of eenheid van recht.