Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
18 november 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch waarbij verdachte werd veroordeeld voor poging tot zware mishandeling. De feiten speelden zich af in het kader van een conflict over de verzorging van een gezamenlijke hennepplantage, waarbij verdachte meermalen met zijn auto op een ander inreed.
Het hof had geoordeeld dat niet aannemelijk was dat het handelen van verdachte het gevolg was van eerdere aanrandingen door de aangever jegens verdachte, en dat er geen sprake was van een ogenblikkelijke (dreigende) wederrechtelijke aanranding van de minderjarige zoon van verdachte door de aangever. De verdediging voerde onder meer noodweerexces aan, maar dit werd door het hof verworpen.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van verdachte beoordeeld en geoordeeld dat de klachten niet leiden tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad hoefde geen inhoudelijke motivering te geven omdat de vragen niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Wel constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep was overschreden, maar verbond hieraan geen ander rechtsgevolg.
De Hoge Raad heeft het beroep verworpen en het arrest van het hof bekrachtigd. De opgelegde straf bestond uit een gevangenisstraf van 360 dagen, waarvan 283 dagen voorwaardelijk.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de gevangenisstraf van 360 dagen, waarvan 283 voorwaardelijk, blijft gehandhaafd.