Uitspraak
1.Procesverloop
De advocaat van Carigna heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
14 november 2025.
Hoge Raad
In deze zaak tussen Carigna Investments N.V. en [verweerders] staat centraal de vraag of de verjaring van de rechtsvordering tot ontbinding van een overeenkomst van opdracht is gestuit door een schriftelijke mededeling waarin Carigna zich het recht op ontbinding voorbehoudt. Carigna stelde [verweerders] aansprakelijk wegens beroepsfouten die leidden tot een veroordeling tot schadevergoeding aan een derde partij.
De rechtbank en het hof wezen de vorderingen van Carigna af, waarbij het hof overwoog dat de ontbindingsvordering was verjaard omdat geen schriftelijke buitengerechtelijke verklaring tot ontbinding was uitgebracht en de verjaringstermijn van vijf jaar was verstreken. Carigna voerde aan dat haar brieven van 2013 en 2018, waarin zij zich het recht op vergoeding en terugbetaling voorbehield, de verjaring hadden gestuit.
De Hoge Raad bevestigt dat de verjaring van de ontbindingsvordering niet wordt gestuit door een schriftelijke mededeling waarin het recht op ontbinding wordt voorbehouden (art. 3:317 lid 1 BW Pro), maar alleen door een stuitingshandeling die voldoet aan art. 3:316 BW Pro en art. 3:317 lid 2 BW Pro. De ratio van deze regeling is dat de ontbindingsvordering een korte verjaringstermijn kent en dat de stuitingsmogelijkheden verschillen van die van de nakomingsvordering. De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en veroordeelt Carigna in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de ontbindingsvordering is verjaard.