Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
3.Beoordeling van het zevende cassatiemiddel
4.Beslissing
25 november 2025.
Hoge Raad
In deze strafzaak werd de verdachte veroordeeld voor meermalen gepleegde belaging jegens twee benadeelde partijen. De benadeelde partijen vorderden vergoeding van buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand als materiële schade. De Hoge Raad heeft overwogen dat dergelijke kosten op grond van artikel 6:96 lid 2 BW Pro voor vergoeding in aanmerking komen indien zij een causaal verband hebben met het strafbare feit, redelijk waren en niet reeds als proceskosten worden beschouwd.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof dat de gevorderde kosten niet betrekking hadden op het opstellen en indienen van de vorderingen in het strafproces, maar op rechtsbijstand in de voorafgaande periode waarin de belaging plaatsvond. Daarom zijn deze kosten niet als proceskosten aan te merken en komen zij voor vergoeding in aanmerking.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de verdachte en bevestigde de toewijzing van de schadevergoeding en de schadevergoedingsmaatregelen. De uitspraak verduidelijkt de toepassing van de regels omtrent vergoeding van buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand in strafzaken.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de toewijzing van buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand als materiële schade.