Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
11 november 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin de verdachte, een verpleegkundige, werd veroordeeld voor ontucht met twee aan zijn zorg toevertrouwde patiëntes. De verdachte stelde onder meer klachten in over het gebruik van een schakelbewijsconstructie en het bewijsminimum volgens art. 342 lid 2 Sv Pro (unus testis-regel). Tevens werd bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van een verzoek tot voeging van stukken aan het dossier.
De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. Daarbij werd overwogen dat het niet nodig was om de motivering nader toe te lichten, omdat de kwesties niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Ook de constatering van het hof dat de redelijke termijn in hoger beroep was overschreden, werd niet als onrechtmatig aangemerkt.
Het cassatieberoep is derhalve verworpen. Hiermee blijft het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 14 maart 2024 in stand, waarin de verdachte werd veroordeeld voor ontucht met twee patiëntes onder zijn zorg. De uitspraak werd gedaan door de Strafkamer van de Hoge Raad op 11 november 2025.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling van de verpleegkundige voor ontucht.