Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan opzet- of schuldwitwassen. Verdachte heeft verklaard dat het geld dat op 22 juli 2021 bij hem is aangetroffen van zijn broer en zus was. Hij had dat geld bij zich omdat zij een stuk grond in Turkije wilden kopen om daar een huis te bouwen voor hun moeder. Ter onderbouwing hiervan is verwezen naar de verklaringen van zijn broer en zus afgelegd bij de raadsheer-commissaris op 28 maart 2023. Uit de overgelegde pintransacties zou volgen dat zijn broer en zus geld hebben gepind. Verder heeft de zus van verdachte geld ingelegd dat zij op haar bruiloft heeft ontvangen. Deze bedragen komen overeen met het bedrag dat bij verdachte is aangetroffen. Hiermee geeft verdachte een onderbouwde verklaring met betrekking tot de herkomst en het doel van het geld. Niet gezegd kan worden dat het niet anders kan zijn dan dat de bij verdachte aangetroffen geldbedragen van misdrijf afkomstig zijn. Verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair en subsidiair tenlastegelegde, aldus de raadsman.
Als de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Als de verdachte zo’n verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Als zo’n verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen over het bewijs. (Vgl. HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352.)
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
5.Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
6.Beslissing
7 oktober 2025.