Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2025:1450

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 oktober 2025
Publicatiedatum
2 oktober 2025
Zaaknummer
24/03599
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 WzdArt. 25 lid 1 WzdArt. 38 lid 4 WzdArt. 38 lid 5 WzdArt. 41 lid 1 Wzd
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad over belanghebbendheid echtgenoot bij machtiging opname Wzd

In deze zaak heeft de rechtbank op verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) een machtiging verleend voor opname en verblijf van betrokkene op grond van de Wet zorg en dwang (Wzd). De echtgenote van betrokkene diende een uitgebreid verweerschrift in, dat door de rechtbank buiten beschouwing werd gelaten omdat het niet aan de procesregels voldeed.

Betrokkene stelde cassatie in tegen deze beslissing. De Hoge Raad overwoog dat de echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel van betrokkene volgens de Wzd niet als belanghebbende kan worden aangemerkt in de procedure voor het verlenen van een machtiging. Dit betekent dat deze personen geen verweerschrift mogen indienen, geen rechtsmiddelen kunnen aanwenden en geen recht hebben op inzage in alle processtukken.

De Hoge Raad baseerde dit op de tekst van de Wzd, de parlementaire geschiedenis en de aard van de procedure, waarbij het belang van de echtgenoot of levensgezel niet zodanig is dat zij als belanghebbende kunnen optreden. Ook het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens verplicht dit niet, aangezien de rechter zich zo mogelijk laat voorlichten door deze personen.

Het cassatieberoep werd verworpen zonder nadere motivering, waarmee de beschikking van de rechtbank werd bevestigd.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de echtgenoot, geregistreerde partner of levensgezel is geen belanghebbende in de Wzd-procedure.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer24/03599
Datum3 oktober 2025
BESCHIKKING
In de zaak van
[betrokkene],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: G.E.M. Later,
tegen
CENTRUM INDICATIESTELLING ZORG,
gevestigd te Utrecht,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: het CIZ,
niet verschenen.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/16/578133/FV RK 24-1676 van de rechtbank Midden-Nederland van 1 augustus 2024.
Betrokkene heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld.
Het CIZ heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.M. Coenraad strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van betrokkene heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Uitgangspunten en feiten

2.1
Op verzoek van het CIZ heeft de rechtbank [1] op de voet van art. 24 Wzd Pro een machtiging verleend tot opname en verblijf van betrokkene, voor de duur van zes maanden.
2.2
De rechtbank heeft een verweerschrift van de echtgenote van betrokkene buiten beschouwing gelaten, en daartoe (in rov. 1.2) als volgt overwogen:
“Mr. Janssens heeft (…) een e-mailbericht met bijlage aan de rechtbank (niet aan het CIZ) gestuurd. Die bijlage is een verweerschrift met producties (een ervan beslaat 146 pagina’s) van (…) [Hoge Raad: de echtgenote van betrokkene]. Kennelijk treedt mr. Janssens ook voor haar op. Dit verweerschrift betreft een zeer uitvoerige (juridische) zienswijze op de zaak door die echtgenote, terwijl het aan haar advocaat is om als haar procesvertegenwoordiger (in haar processtukken) een duidelijke en rechtens relevante uiteenzetting van de zienswijze van de echtgenote te geven.
Daar komt bij dat in dat verweerschrift niet concreet naar bepaalde passages in de (omvangrijke) producties wordt verwezen, terwijl een partij die een beroep wil doen op feiten en omstandigheden, dit op een zodanige wijze dient te doen dat voor de rechter duidelijk is welke stellingen hem ter beoordeling worden voorgelegd en dat voor de wederpartij (hier: het CIZ) duidelijk is waartegen hij zich dient te verweren (zie o.m. HR 8 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2810).
De rechtbank heeft dit verweerschrift inclusief producties dan ook buiten beschouwing
gelaten; het maakt geen deel uit van de processtukken.”

3.Beoordeling van het middel

3.1
De klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO Pro).
3.2.1
Opmerking verdient het volgende. Voor zover het middel tot uitgangspunt neemt dat, in het kader van de verlening van een machtiging op grond van de Wzd, de echtgenoot van de betrokkene moet worden aangemerkt als belanghebbende, berust het op een onjuiste rechtsopvatting.
3.2.2
Op grond van art. 25 lid Pro 1, aanhef en onder a, Wzd in verbinding met art. 24 lid 1 Wzd Pro kunnen de echtgenoot, de geregistreerde partner of andere levensgezel van de betrokkene het CIZ vragen een verzoek om een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf of voortzetting van het verblijf van de betrokkene in te dienen. Uit art. 38 lid Pro 4, aanhef en onder a, Wzd volgt dat de rechter, voordat hij op het verzoek van het CIZ beslist, zich zo mogelijk laat voorlichten door de echtgenoot, de geregistreerde partner of andere levensgezel die de in art. 25 lid Pro 1, aanhef en onder a, Wzd bedoelde aanvraag bij het CIZ heeft ingediend. Art. 38 lid 5 Wzd Pro houdt in dat de rechter zich kan doen voorlichten door de echtgenoot, de geregistreerde partner of andere levensgezel die de in art. 25 lid Pro 1, aanhef en onder a, Wzd bedoelde aanvraag niet heeft ingediend.
Op grond van art. 41 lid Pro 1, aanhef en onder d, Wzd zendt de griffier een afschrift van de beschikking aan betrokkenes echtgenoot, geregistreerde partner of andere levensgezel. Daarbij is niet van belang of een van deze personen de in art. 25 lid Pro 1, aanhef en onder a, Wzd bedoelde aanvraag bij het CIZ heeft ingediend of door de rechter is gehoord.
3.2.3
Noch de bepalingen van de Wzd, noch de parlementaire geschiedenis van de Wzd [2] bieden enig aanknopingspunt voor de opvatting dat de echtgenoot, de geregistreerde partner of andere levensgezel van de betrokkene, in het kader van de verlening van een machtiging op grond van de Wzd, moet worden aangemerkt als belanghebbende, en uit dien hoofde een verweerschrift mag indienen (art. 282 lid 1 Rv Pro), een op grond van de Wzd openstaand rechtsmiddel kan aanwenden, en recht heeft op inzage in en afschrift van in beginsel alle processtukken (art. 290 Rv Pro). Dit volgt evenmin uit de aard van de procedure tot verlening van een machtiging op grond van de Wzd: niet kan worden gezegd dat de uitkomst van die procedure de echtgenoot, de geregistreerde partner of andere levensgezel zodanig in een eigen belang treft dat deze persoon daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang, en evenmin dat deze persoon anderszins zo nauw is betrokken bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om, afgezien van de hiervoor in 3.2.2 genoemde betrokkenheid, in de procedure als belanghebbende te verschijnen. [3]
3.2.4
Tot slot dwingt het EVRM evenmin ertoe de echtgenoot, de geregistreerde partner of andere levensgezel van de betrokkene, in het kader van de verlening van een machtiging op grond van de Wzd, aan te merken als belanghebbende. Het bepaalde in (het hiervoor in 3.2.2 genoemde) art. 38 lid Pro 4, aanhef en onder a, en lid 5 Wzd biedt in beginsel voldoende waarborg dat de rechter de echtgenoot, de geregistreerde partner of andere levensgezel van de betrokkene hoort op het verzoek om een machtiging op grond van de Wzd, opdat de door het EVRM beschermde rechten worden geëerbiedigd.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, H.M. Wattendorff, S.J. Schaafsma en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op
3 oktober 2025.

Voetnoten

1.Rechtbank Midden-Nederland 1 augustus 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:5559.
2.Zie Kamerstukken II 2008/09, 31996, nr. 3, p. 70.
3.Vgl. HR 6 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9440, rov. 3.3.2.