Uitspraak
1.Geding in cassatie
Na het verstrijken van de voor de motivering van het beroep in cassatie gestelde termijn heeft belanghebbende een geschrift ingediend. Op dit stuk slaat de Hoge Raad geen acht.
Hoge Raad
Belanghebbende, erfgenaam van A, stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam, waarin het hoger beroep van belanghebbende tegen een beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en een aanslag onroerende zaakbelasting van de gemeente Wormerland voor het jaar 2020 was behandeld.
Na het verstrijken van de termijn voor motivering van het cassatieberoep diende belanghebbende alsnog een geschrift in, maar de Hoge Raad sloeg dit stuk over. Het dagelijks bestuur van Cocencus diende een verweerschrift in, waarop belanghebbende een conclusie van repliek indiende.
De Hoge Raad heeft de klachten van belanghebbende beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. Omdat de klachten geen vragen van belang voor de eenheid of ontwikkeling van het recht bevatten, is geen nadere motivering gegeven.
De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest werd uitgesproken op 19 september 2025 door raadsheren Feteris, Boerlage en Van der Voort Maarschalk.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam wordt bevestigd.