Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
2 september 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake brandstichting met dodelijke afloop en beschadiging van een auto. De verdachte werd veroordeeld en kreeg een gevangenisstraf opgelegd.
In cassatie werden verschillende klachten ingediend, waaronder over de inzet van een undercoveragent en bewijsuitsluiting. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot vernietiging van het arrest konden leiden en hoefde dit niet nader te motiveren.
Wel stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden doordat meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot een ambtshalve vermindering van de opgelegde gevangenisstraf.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de strafmaat en verminderde de gevangenisstraf tot zes jaar en acht maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot zes jaar en acht maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.