In deze prejudiciële procedure behandelt de Hoge Raad vragen over de juridische kwalificatie van vertragingsrente en buitengerechtelijke kosten die consumenten verschuldigd zijn bij het niet tijdig nakomen van betalingsverplichtingen via achteraf-betaalservices in webwinkels.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere beslissingen en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 oktober 2024, waarin werd geoordeeld dat deze kosten in principe niet tot de kredietkosten behoren, tenzij de kredietgever bij het sluiten van de overeenkomst al anticipeert op wanbetaling om economisch voordeel te behalen.
De Hoge Raad beantwoordt dat vertragingsrente en buitengerechtelijke kosten niet mogen worden meegeteld bij de beoordeling of een kredietovereenkomst zonder kosten of met onbetekenende kosten is, ongeacht of deze kosten wettelijk of contractueel zijn vastgesteld en ongeacht de hoogte ervan.
Verder wordt geoordeeld dat de verplichting van de kredietgever om de kredietwaardigheid van de consument te toetsen ambtshalve door de rechter moet worden gecontroleerd, ook bij kredieten van minder dan €1.000, maar dat de rechter niet verplicht is om ambtshalve te toetsen of de kredietverstrekker de kredietovereenkomst niet had mogen aangaan op grond van specifieke wettelijke bepalingen.
Tot slot wordt vastgesteld dat de enkele keuze van de consument om direct na ontvangst van precontractuele informatie de kredietovereenkomst te sluiten niet automatisch betekent dat de informatie niet geruime tijd is verstrekt in de zin van de wet.