ECLI:NL:HR:2024:821
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Beoordeling precariobelastingheffing op nutsnetwerken en overgangsrecht gemeente Uitgeest
Het arrest betreft een cassatieprocedure tussen het dagelijks bestuur van Cocensus en belanghebbende, eigenaar van gastransportnetwerken in de gemeente Uitgeest, over precariobelastingaanslagen voor 2016 en 2017.
De kern van het geschil betrof de rechtmatigheid van de aanslagen en de heffingsbevoegdheid van de gemeente, met name voor het tweede halfjaar van 2017. Het Hof oordeelde dat de aanslag voor 2016 terecht buiten de termijn was vastgesteld omdat de belastingschuld op 1 januari 2016 was ontstaan en de aanslagtermijn van drie jaar was verstreken. Voor 2017 was de gemeente volgens het Hof niet bevoegd om precariobelasting te heffen over het tweede halfjaar vanwege het overgangsrecht dat een specifiek tarief voor nutsnetwerken vereist in de verordening van 10 februari 2016.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verduidelijkte dat het overgangsrecht alleen geldt voor gemeenten die op 10 februari 2016 een specifiek tarief voor precariobelasting op nutsnetwerken hadden opgenomen. Een algemene restbepaling in de verordening volstaat niet. De klachten van het dagelijks bestuur faalden, evenals het incidentele beroep van belanghebbende. De Hoge Raad veroordeelde het dagelijks bestuur tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart beide cassatieberoepen ongegrond en bevestigt dat de gemeente niet bevoegd was om precariobelasting te heffen over het tweede halfjaar 2017 zonder specifiek tarief.