Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het vijfde cassatiemiddel
3.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
4.Beslissing
11 juni 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft het cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag van 7 juni 2022, waarin de verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van voorbereiding van moord, voorbereiding van opzettelijke brandstichting en/of ontploffing met terroristisch oogmerk, deelneming aan een terroristische organisatie en voorbereiden/bevorderen van terroristische misdrijven.
De verdachte stelde meerdere cassatiemiddelen voor, waaronder een klacht over de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro. De Hoge Raad oordeelde dat de redelijke termijn was overschreden, mede doordat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en de uitspraak pas na meer dan zestien maanden na het instellen van het cassatieberoep werd gedaan.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en verminderde deze van twaalf jaar en zes maanden tot twaalf jaar. De overige klachten van de verdachte werden verworpen zonder nadere motivering, gelet op het belang van de eenheid en ontwikkeling van het recht.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren in aanwezigheid van de waarnemend griffier, tijdens een openbare terechtzitting op 11 juni 2024.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd tot twaalf jaar wegens overschrijding van de redelijke termijn.