Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2024:69

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 januari 2024
Publicatiedatum
22 januari 2024
Zaaknummer
21/04532
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering van profijtontneming na vrijspraak eerdere hennepoogst

In deze strafzaak stond de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt centraal. Het hof had het voordeel geschat op basis van vijf eerdere oogsten, waaronder één oogst waarvan de betrokkene in de strafzaak was vrijgesproken. De rechtbank had alleen de aangetroffen 559 hennepplanten bewezen verklaard.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte de schatting van het voordeel mede had gebaseerd op een feit waarvoor de betrokkene was vrijgesproken. Dit is in strijd met het legaliteitsbeginsel en het verbod van ne bis in idem. Daarom vernietigde de Hoge Raad het hofarrest voor zover het de hoogte van de schatting en de betalingsverplichting betrof.

Daarnaast werd de betalingsverplichting verminderd met het bedrag dat correspondeert met de vrijgesproken oogst (€ 13.828). Ook werd rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, wat leidde tot een verdere vermindering van het te betalen bedrag.

De Hoge Raad deed de zaak zelf af en stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 55.311 en de betalingsverplichting op € 52.546. Het beroep werd voor het overige verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de betalingsverplichting wegens vrijspraak van een eerdere hennepoogst.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/04532 P
Datum23 januari 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 oktober 2021, nummer 21-003611-19, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,
hierna: de betrokkene.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft D.J.M. Dammers, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt in de kern dat het hof de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel mede heeft gebaseerd op een feit (een eerdere oogst van 559 hennepplanten) waarvan de betrokkene in de strafzaak is vrijgesproken.
2.2
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4-6 en 21-22. De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen en de op vijf eerdere geslaagde oogsten gebaseerde schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en het aan de Staat te betalen bedrag verminderen met het voordeel dat het hof aan de betrokkene heeft toegerekend ter zake van één eerdere oogst waarvan de betrokkene is vrijgesproken, dus met een bedrag van € 13.828.

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot verdere vermindering van de betalingsverplichting.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting;
- vermindert het bedrag van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel in die zin dat de hoogte daarvan € 55.311 bedraagt;
- vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 52.546 bedraagt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
23 januari 2024.