Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
9 april 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een 57-jarige verdachte die werd veroordeeld voor feitelijke aanranding van een 19-jarig zwakbegaafd meisje bij haar woning. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch had hem veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk.
De verdachte stelde in cassatie onder meer dat het hof ten onrechte had geoordeeld over zijn opzet en dat het bewijs innerlijk tegenstrijdig was. De Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot vernietiging van het arrest konden leiden en hoefde dit niet nader te motiveren vanwege artikel 81 lid 1 RO Pro.
Daarnaast stelde de verdachte dat de redelijke termijn was overschreden omdat stukken te laat door het hof waren ingezonden. De Hoge Raad vond deze klacht gegrond maar achtte de straf van drie maanden, waarvan twee voorwaardelijk, zo gering dat geen ander rechtsgevolg aan de termijnoverschrijding werd verbonden.
Het cassatieberoep werd uiteindelijk verworpen, waarmee het arrest van het gerechtshof in stand bleef.
Uitkomst: Cassatieberoep verworpen, straf van drie maanden gevangenisstraf gehandhaafd ondanks termijnoverschrijding.