ECLI:NL:HR:2024:361

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 maart 2024
Publicatiedatum
7 maart 2024
Zaaknummer
23/01643
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 98 lid 4 SvArt. 552a SvArt. 94 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep niet-ontvankelijk in cassatie over beslag en verschoningsrecht

De zaak betreft een cassatieberoep van een rechtspersoon, klaagster, tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant over de toelaatbaarheid van beslag op digitale stukken en gegevens in het kader van een verdenking van grootschalige fraude in de voedselketen. De rechtbank had geoordeeld dat beklag op grond van artikel 98 lid 4 in Pro verbinding met artikel 552a Sv niet openstaat voor een klager die niet verschoningsgerechtigd is.

Klaagster stelde dat dit oordeel onjuist was en verzocht de Hoge Raad het cassatieberoep in behandeling te nemen. De advocaat-generaal concludeerde echter dat klaagster niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar beroep. De Hoge Raad volgde deze conclusie en nam het cassatieberoep niet in behandeling.

De beslissing is genomen door de vice-president en twee raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad, waarbij de gronden voor niet-ontvankelijkheid zijn opgenomen in een gelijktijdige beschikking (ECLI:NL:HR:2024:312). De zaak hangt samen met meerdere andere zaken met vergelijkbare nummers, die dezelfde problematiek betreffen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van klaagster wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan verschoningsgerechtigde status.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/01643 Bv
Datum12 maart 2024
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, economische kamer, van 7 maart 2023, nummer RK 22/020752, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 98 lid 4 in Pro verbinding met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klaagster] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: de klaagster.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft Th.J. Kelder, advocaat te ‘s–Gravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de klaagster niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel en van de ontvankelijkheid van het beroep

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de beslissing van de rechtbank tot niet-ontvankelijkverklaring van het beklag.
2.2
Het cassatiemiddel is tevergeefs voorgesteld. Dit brengt mee dat de Hoge Raad het cassatieberoep van de klaagster niet in behandeling kan nemen. De redenen daarvoor staan vermeld in de beschikking die de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak 23/01617 Bv, ECLI:NL:HR:2024:312.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
12 maart 2024.