Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste tot en met het derde cassatiemiddel
3.Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
4.Beslissing
13 februari 2024.
Hoge Raad
In deze strafzaak werd verdachte verdacht van poging tot moord op zijn ex-vrouw in 2020 in Houten, waarbij hij meerdere keren met een bijl op haar sloeg. Het hof verklaarde de bijl verbeurd en gelastte de teruggave van overige inbeslaggenomen goederen aan de rechthebbende. De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet had vastgesteld aan wie de voorwerpen toebehoren en dat het hof op grond van artikel 353 lid 2 Sv Pro had moeten bepalen dat de voorwerpen worden teruggegeven aan degene bij wie ze in beslag zijn genomen, aan een ander die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, of anders de bewaring ten behoeve van de rechthebbende moet gelasten.
De Hoge Raad las de beslissing van het hof in zoverre verbeterd dat het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende heeft gelast. Het cassatieberoep faalde daardoor wegens gebrek aan feitelijke grondslag. De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt daarmee het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
De zaak bevat tevens een uitgebreide opsomming van de inbeslaggenomen goederen, waaronder een telefoon, kledingstukken, schoeisel en een personenauto. De Hoge Raad bevestigt dat de teruggave van deze voorwerpen correct is geregeld volgens de wettelijke voorschriften. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 13 februari 2024.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en leest de beslissing van het hof in dat de inbeslaggenomen voorwerpen worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.