ECLI:NL:HR:2024:1653

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 november 2024
Publicatiedatum
12 november 2024
Zaaknummer
22/02048
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311 lid 1 sub 4 SrArt. 81 lid 1 ROArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn bij medeplegen diefstal woning

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin de verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van diefstal uit een woning. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest uitsluitend voor wat betreft de strafmaat, met een voorstel tot vermindering van de gevangenisstraf. De Hoge Raad heeft de overige klachten van het cassatieberoep verworpen zonder nadere motivering, conform artikel 81 lid 1 RO Pro.

De Hoge Raad constateert dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden, aangezien meer dan twee jaar zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidt tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf met negen maanden. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de duur van de gevangenisstraf en vermindert deze tot acht maanden en drie weken.

De overige onderdelen van het beroep worden verworpen. Tevens wordt ingegaan op de vraag of het ontbreken van een beslissing op een vordering van de benadeelde partij tot ambtshalve cassatie tot gevolg moet hebben dat het beroep wordt verworpen, gelet op het feit dat de benadeelde partij geen gebruik heeft gemaakt van de geboden gelegenheid om cassatieschriftuur in te dienen. Deze kwestie wordt in samenhang met een andere zaak behandeld. De uitspraak is gedaan door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot acht maanden en drie weken wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/02048
Datum26 november 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 25 mei 2022, nummer 23-004675-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van negen maanden.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze acht maanden en drie weken beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
26 november 2024.