Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
22 oktober 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 11 april 2023, waarin verdachte werd veroordeeld voor doodslag op zijn drie maanden oude dochter. Het hof oordeelde dat verdachte door het uitoefenen van zodanig geweld op het hoofd en/of lichaam van het kind, waardoor forse krachten op de hersenen werden uitgeoefend, verantwoordelijk was voor haar overlijden.
In cassatie stelde verdachte een middel voor, gericht op de bewijsklacht omtrent het opzet op de dood van het kind. De advocaat-generaal concludeerde tot verwerping van het cassatieberoep. De Hoge Raad heeft de klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof.
De Hoge Raad motiveert zijn oordeel niet inhoudelijk, omdat het niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. Het beroep wordt derhalve verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof Amsterdam blijft in stand.