ECLI:NL:HR:2024:1423
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Bewijsmaatstaf bij verzending bezwaar- of beroepschrift per post in belastingzaak
Belanghebbende stelde dat zijn beroepschrift tijdig per post was verzonden, maar de Rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat het digitaal ingediende beroepschrift na de termijn was ontvangen. De Rechtbank vond dat belanghebbende moest bewijzen dat het beroepschrift daadwerkelijk was verzonden en verwierp het verweer dat aannemelijk maken voldoende was.
In het verzet stelde belanghebbende dat de bewijsmaatstaf onjuist was toegepast en dat aannemelijk maken volstond. De Rechtbank handhaafde haar oordeel dat bewijs vereist was en dat belanghebbende niet had aangetoond dat het beroepschrift tijdig was verzonden.
De Hoge Raad oordeelt dat het bewijs van verzending per post niet zwaarder mag zijn dan aannemelijk maken, zoals gebruikelijk in belastingzaken. De Rechtbank heeft ten onrechte een zwaardere bewijsmaatstaf gehanteerd, waardoor het verzet gegrond is en de zaak terugverwezen wordt voor nieuwe beoordeling.
De Hoge Raad vernietigt de uitspraak op het verzet, verklaart het verzet gegrond en draagt de Rechtbank op het onderzoek voort te zetten. Tevens veroordeelt de Hoge Raad het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergeijk in de proceskosten.
Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep.