Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
4.Beslissing
15 oktober 2024.
Hoge Raad
In deze zaak stond de verdachte terecht voor het veroorzaken van lichamelijk letsel door schuld in het verkeer door met zijn auto langere tijd op de verkeerde weghelft te rijden en frontaal in botsing te komen met een tegemoetkomende auto. De rechtbank sprak de verdachte vrij van het primaire ten laste gelegde artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, maar veroordeelde hem voor subsidiaire schuld volgens artikel 5 WVW Pro 1994.
Het gerechtshof Den Haag bevestigde deze veroordeling, waarbij het oordeelde dat de verdachte langere tijd onoplettend was geweest. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest. De Hoge Raad beoordeelde de klachten over schuld en letsel, maar vond deze onvoldoende voor vernietiging van het hofarrest.
Wel stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, doordat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en de uitspraak meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep plaatsvond. Dit leidde tot vernietiging van het deel van het arrest over de hoogte van de geldboete en de vervangende hechtenis, met vermindering van de geldboete van € 1.000 naar € 900 en de hechtenis van 20 naar 18 dagen.
De rest van het beroep werd verworpen. Hiermee bevestigde de Hoge Raad het oordeel over schuld en letsel, maar corrigeerde de strafoplegging vanwege procesrechtelijke termijnen.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de geldboete en vervangende hechtenis wegens overschrijding van de redelijke termijn, terwijl het beroep verder wordt verworpen.