ECLI:NL:HR:2024:1307

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 september 2024
Publicatiedatum
26 september 2024
Zaaknummer
24/01071
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 397 lid 1 RvArt. 402 lid 1 RvArt. 407 lid 1 Rv
Verwijzingen
6 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in cassatie wegens niet tijdige indiening procesinleiding

In deze zaak heeft verzoekster cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag. De Hoge Raad verwijst voor het geding in feitelijke instanties naar eerdere uitspraken van de rechtbank en het gerechtshof.

De kern van het geschil betreft de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. Verzoekster heeft de procesinleiding niet tijdig elektronisch ingediend zoals vereist op grond van de artikelen 397 lid 1, 402 lid 1 en 407 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Hierdoor is het cassatieberoep niet tijdig ingesteld.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekte tot niet-ontvankelijkheid van verzoekster. Verzoekster heeft niet binnen de gestelde termijn op deze conclusie gereageerd en de Hoge Raad zag geen aanleiding om alsnog herstel van het verzuim toe te staan.

Daarom verklaart de Hoge Raad verzoekster niet-ontvankelijk in haar cassatieberoep en wijst het beroep af. Dit arrest is gewezen door de vicepresident als voorzitter en vier raadsheren, en in het openbaar uitgesproken door een raadsheer.

Uitkomst: Verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige indiening van de procesinleiding in cassatie.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer24/01071
Datum27 september 2024
ARREST
In de zaak van
[verzoekster],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: verzoekster,
tegen
DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST/KANTOOR DEN HAAG,
gevestigd te Den Haag,
VERWEERDER in cassatie,
hierna: de Ontvanger.

1.Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak C/09/578595/HA ZA 19-865 van de rechtbank Den Haag van 30 juni 2021;
b. het arrest in de zaak 200.303.956/01 van het gerechtshof Den Haag van 2 mei 2023.
Verzoekster heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal M.H. Wissink strekt tot niet-ontvankelijkheid van verzoekster in haar cassatieberoep.
Verzoekster heeft niet binnen twee weken op die conclusie gereageerd. De Hoge Raad ziet geen aanleiding om verzoekster daartoe alsnog in de gelegenheid te stellen.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid

Verzoekster is niet ontvankelijk in haar beroep op de gronden vermeld in de conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal onder 3.1-3.9.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar beroep.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op
27 september 2024.