Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
10 september 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van de betrokkene, die betrokken was bij hennepteelt.
Het geschil spitst zich toe op de vraag of het hof terecht heeft geoordeeld dat de bij onherroepelijk arrest toegekende vorderingen van de benadeelde partij (netbeheerder) niet in mindering behoorden te worden gebracht op het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel is geschat, omdat niet was gebleken dat deze vorderingen waren voldaan.
De advocaat-generaal concludeerde dat het hof hiermee een onjuiste rechtsopvatting had gehanteerd, omdat volgens de oude regeling van artikel 36e.8 Sr (zoals van toepassing op feiten van vóór 1 januari 2014) niet vereist is dat de vordering reeds is voldaan om tot verrekening te kunnen overgaan.
De Hoge Raad volgt deze conclusie, vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting en beslissing. Hiermee wordt bevestigd dat bij profijtontneming de verrekening van in rechte toegekende vorderingen niet afhankelijk is van daadwerkelijke voldoening, mits de feiten zich hebben voorgedaan voor de wetswijziging van 2014.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting met correcte verrekening van vorderingen.