Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
2 juli 2024.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13 april 2022, waarin een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel werd toegewezen aan de Staat. De betrokkene was veroordeeld voor onder meer hennepbezit, wapenbezit, het voorhanden hebben van een ruimte bestemd voor het plegen van Opiumwetfeiten en witwassen.
In cassatie werden twee middelen aangevoerd. Het eerste middel werd door de Hoge Raad ongegrond verklaard zonder nadere motivering, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, omdat beantwoording niet noodzakelijk was voor rechtsontwikkeling.
Het tweede middel betrof de overschrijding van de redelijke termijn in cassatie, zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, vanwege late indiening van stukken door het hof en de lange duur van de procedure. De Hoge Raad erkende de overschrijding, maar achtte dit niet reden voor vernietiging van het arrest. De samenhangende strafzaak wordt afzonderlijk beoordeeld op mogelijke compensatie.
De Hoge Raad concludeert dat ondanks de overschrijding van de redelijke termijn het cassatieberoep moet worden verworpen en bevestigt daarmee het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de ontnemingsvordering ondanks overschrijding van de redelijke termijn.