Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van de middelen
4.Beslissing
23 juni 2023.
Hoge Raad
Deze zaak betreft de vraag of een werkgever verplicht is vakantiedagen uit te betalen die een werknemer heeft opgebouwd maar niet heeft opgenomen tijdens het dienstverband. De discussie spitst zich toe op de toepassing van art. 7:642 BW Pro in samenhang met Europese regelgeving, met name Richtlijn 2003/88 en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Het hof heeft geoordeeld dat de werkgever onvoldoende heeft aangetoond dat hij aan zijn zorg- en informatieplicht heeft voldaan, zoals vereist op grond van het Max Planck-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU). Hierdoor kan de werknemer zijn recht op uitbetaling van niet-genoten wettelijke vakantiedagen niet verliezen door verjaring volgens art. 7:642 BW Pro.
De Hoge Raad volgt dit oordeel en wijst het cassatieberoep van de werkgever af. De Hoge Raad benadrukt dat nationale verjaringstermijnen niet mogen leiden tot verlies van het recht op wettelijke vakantie met behoud van loon indien de werkgever niet voldoende zorg heeft gedragen om de werknemer daadwerkelijk in staat te stellen deze vakantie op te nemen. Hiermee wordt de bescherming van de werknemer als zwakkere partij binnen het arbeidsrecht bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de werkgever gehouden is tot uitbetaling van niet-genoten wettelijke vakantiedagen omdat hij niet heeft voldaan aan zijn zorg- en informatieplicht.